Zwanger, wat nu?

Toen de twintigjarige freule Marie-Madeleine de La Vergne op 15 februari 1655 in het huwelijk trad met de achttien jaar oudere graaf François de La Fayette, kon de toenmalige boulevardpers met recht de pen scherpen. Het huwelijk werd halsoverkop gesloten, de bruid bracht ondanks haar enorme familiekapitaal geen bruidsschat mee en behield volledige zeggenschap over haar eigen vermogen, en behalve een illustere naam had de bruidegom haar weinig te bieden – terwijl zij door haar afkomst en rijkdom toch een van de aantrekkelijkste partijen van adellijk Frankrijk was, in theorie goed voor een tophuwelijk.

Waarom trouwt een aanzienlijke mondaine jonkvrouw halsoverkop met een onaanzienlijke landedelman? Eigenlijk valt daar maar één reden voor te bedenken, en die bedachten haar tijdgenoten dan ook: ze was zwanger. Zowel in Scarrons Gazette als in Lorets Muse historique krijgt de kersverse echtgenoot gemakshalve maar meteen de zwartepiet toegespeeld, hoewel niets erop wijst dat hij zijn bruid ooit al eens had ontmoet, laat staan verleid en bezwangerd. De ware toedracht zal wel altijd in nevelen gehuld blijven, maar één ding is zeker: op 27 augustus 1655, zesenhalve maand na haar huwelijk, schrijft madame De La Fayette aan haar vriend Ménage, de beroemde salondichter en filoloog: ‘U ziet madame De Sévigné niet zo weinig dat u niet van haar had kunnen horen dat ik was bevallen.’ Weliswaar kon het woord accoucher (bevallen) destijds ook een miskraam aanduiden, maar de vraag is dan waarom de schrijfster niet de gebruikelijke eufemistische term se blesser zou hebben gehanteerd, om verwarring met een normale bevalling te voorkomen. Vast staat dat madame De La Fayette in haar hele verdere correspondentie met geen woord meer zal reppen van haar zwangerschap en de al dan niet goede afloop ervan. Maar wat heet goed, in zo’n geval?

Alleen al omdat de romaneske hypothese van een voorechtelijke zwangerschap zo tot de verbeelding spreekt, is de verleiding om erin te geloven groot. We zien het helemaal voor ons: een aanminnige jongedame in de bloei van haar jeugd, belaagd door tal van aanbidders, van wie er uiteindelijk minstens één haar vesting weet te veroveren. En eerlijk is eerlijk: het zou veel verklaren, al zijn er heus wel andere hypotheses mogelijk. Zo oppert Roger Duchêne, madame De La Fayettes eenentwintigste-eeuwse biograaf, dat de wereldse Marie-Madeleine, die door familieomstandigheden op een saai landgoed moest verblijven en daar ‘ziek’ werd, misschien wel aan een zware depressie met bijbehorende psychosomatische klachten leed, waarvoor haar moeder het in die tijd gebruikelijke remedie verkoos: een snel huwelijk.

Toch zou een voorechtelijke zwangerschap niet alleen veel verklaren van dat raadselachtige huwelijk, maar ook een interessant licht werpen op de gitzwarte kern waar het oeuvre van madame De La Fayette omheen geconstrueerd is. Het zou te ver gaan om in de vrouwelijke hoofdpersonen van haar drie ‘historische’ novelles verkapte zelfportretten te zien, maar alle drie kennen ze een verboden liefde met noodlottige gevolgen: de prinses van Clèves biecht haar liefde voor de hertog van Nemours op aan haar echtgenoot en drijft hem daarmee de dood in, de prinses van Montpensier sterft van liefdesverdriet, en de gravin van Tende bezwijkt aan gewetenswroeging en schaamte. Natuurlijk hoeft die overeenkomst tussen de drie novelles niet per se te duiden op een traumatiserende gebeurtenis in het leven van de schrijfster, sterker nog: de betekenis van een kunstwerk laat zich nóóit reduceren tot zo’n gebeurtenis, ook al is die een bewezen feit. Niettemin mag het opvallend heten dat nu juist De gravin van Tende, van de drie novelles de enige waarin de verboden liefde tot een zwangerschap leidt, pas vijfentwintig jaar na de dood van madame De La Fayette voor het eerst werd gepubliceerd: alsof de schrijfster (als ze inderdaad de auteur is, wat niet met honderd procent zekerheid kan worden gezegd, hoewel alles erop wijst) met deze uitzonderlijk geconcentreerde tekst postuum een publieke bekentenis heeft willen doen die ze tijdens haar leven niet aandurfde. En ook dat is voor onze romaneske verbeelding een verleidelijke hypothese – niet meer en niet minder.

Binnen de tekst zelf wordt het nieuwtje van de zwangerschap haast tussen neus en lippen gemeld, maar juist daardoor krijgt het een ongekende kracht. Na de lange, in detail beschreven scène van de ontmoeting tussen de prins en de gravin, plotseling onderbroken door de verschijning van de graaf, krijgen we eerst kortweg te horen dat de twee geliefden elkaar blijven zien, waarna even later als een donderslag bij relatief heldere hemel de mededeling volgt: ‘Madame De Tende had de prins van Navarra aanvankelijk als zo respectvol ervaren en zichzelf zo deugdzaam gevoeld dat ze nooit aan hem en aan zichzelf had getwijfeld. Maar tijd en gelegenheid hadden gezegevierd over deugd en respect, en kort nadat ze haar landgoed had bereikt merkte ze dat ze zwanger was.’

De schrijfster beheerst haar literair-retorische middelen volmaakt. Leek de liefde tussen de gravin en de prins tot op dat moment nog onschuldig en misschien zelfs wel omkeerbaar omdat hij niet geconsummeerd was, nu wordt het lot van de gravin in één zinnetje bezegeld en doet het tragische abrupt zijn intrede. Abortus provocatus bestond niet, het krijgen van een buitenechtelijk kind stond gelijk aan maatschappelijke dood, en het is dan ook niet vreemd dat de gravin meermalen overweegt zelfmoord te plegen. Dat zou volgens de toenmalige ideeën echter betekenen dat ze in de hel kwam, vandaar de opmerkelijke slotzin van het briefje waarin ze haar misstap opbiecht aan haar echtgenoot: ‘Verberg de schande en laat me te gronde gaan wanneer u wilt en zoals u wilt.’ Als zij zichzelf niet van het leven kan beroven, moet haar man het maar doen, daartoe gedreven door de woede om de vernedering: een gruwelijke, in de zeventiende eeuw niet ongebruikelijke ‘oplossing’. Maar de graaf beseft ‘dat als hij zijn vrouw de dood in zou sturen en als ontdekt werd dat ze zwanger was, de waarheid zich gemakkelijk liet raden’. Zijn maatschappelijke eer is hem meer waard dan zijn persoonlijke eer, dus hij is bereid naar buiten toe voorlopig de schijn van een reguliere zwangerschap op te houden – met als gevolg dat de gravin sterft van schaamte, zij het in de geruststellende wetenschap dat haar buitenechtelijke kind, dat wel levend geboren is en dus gedoopt heeft kunnen worden, niet levensvatbaar is: de eer is gered.

Met haar scherpe, ogenschijnlijk onaangedane analyse van dit soort psychologische conflicten staat madame De La Fayette aan het begin van een lange lijn van Franse romanschrijvers, met aan het andere uiteinde Marcel Proust, die in hun werk de menselijke geest en zijn mechanismen haarfijn ontleden. Net als haar goede vriend La Rochefoucauld maakte de schrijfster zich weinig illusies over onze ware beweegredenen: de mens is een door hartstochten gedreven dier dat zijn verstand vooral gebruikt om die hartstochten te verhullen. Haar novelles waren hoogstwaarschijnlijk bedoeld als afschrikwekkend voorbeeld voor haar tijdgenoten, maar de erin geschetste ontwikkelingen zijn zo onontkoombaar dat de moraal volledig naar de achtergrond verdwijnt: tegen de liefde is geen kruid gewassen.

[Nawoord bij Madame de La Fayette, De gravin van Tende, vert. Jan Pieter van der Sterre. Voetnoot, Perlouses 15, 2007.]