Over het lyrische hermetisme van Marie de Quatrebarbes

‘Ik val in deze gedichten als een steen in de vijver’. Dat zinnetje schreef ik dit voorjaar in de kantlijn na het lezen van zeven prints met gedichten van Marie de Quatrebarbes, een mij onbekende jonge Franse dichteres met een naam die afkomstig leek uit een middeleeuws sprookje. Een vijver is een klein waterbekken in een tuin of park, je ziet er soms eenden zwemmen – die overzichtelijke, kalme plas water, dat zou dan de poëzie zijn, en de dichteres: een stenengooister. Quatrebarbes poëzie veroorzaakte bij mij in elk geval de nodige opschudding. Die aan verbijstering grenzende vervreemding heeft misschien iets te maken met de talloze uitheemse verwijzingen die erin opdoemen (kinderversjes, quotes uit damesbladen, seksueel geconnoteerd jargon, internettaal, de Franse poëtische canon, kortom alles wat Roland Barthes de ‘logosfeer’ noemde). Minstens zozeer heeft die verbijstering te maken met het fragmentarische, meerstemmige karakter van de poëzie die Quatrebarbes schrijft.

marie_de_quatrebarbes_2Marie de Quatrebarbes is zeer bedrijvig in de Parijse literaire underground – ze was mede-oprichtster van het aan (vertaalde) poëzie gewijde tijdschrift La Tête et les cornes, bezorgde de verzamelde poëzie van Michel Couturier en leverde talloze bijdragen aan een groot aantal tijdschriften en (internet-)fora. In de twee voornaamste bundels die ze tot nog toe publiceerde (en uit elk waarvan hier een reeks teksten is vertaald) Les pères fouettards me hantent toujours (2012) en La vie moins une minute (2014), zet ze de klassieke poëtica van de experimentele ontregeling van de taal in om een in flarden en bij vlagen herkenbaar autobiografisch verhaal te vertellen; in haar reeksen van vrije verzen schemert soms een verhaal door – over een (solitaire) kindertijd, over een (woelige) liefdesrelatie. Niet dat die narratieve flarden in de ikvorm zijn opgeschreven; de persoonsvormen wisselen voortdurend, je weet eigenlijk nooit wie er spreekt, of de tekst niet eerder een vlechtwerk van citaten is, of er sprake is van spot of zelfspot, hoeveel dubbele bodems erin zijn aangebracht. In haar commentaar op mijn vertaalvragen repte Quatrebarbes, om het cryptische karakter van haar poëzie te verklaren, over het ‘gespleten subject’ van haar teksten, over de ‘lyrischhermetische’ grondtoon ervan en over het gedicht als een ‘speelruimte’. De lezer zij gewaarschuwd.

  • Inleiding bij Marie de Quatrebarbes, ‘Het leven min één minuut’, in: Terras #11, ‘Onze’, 2016; © Rokus Hofstede