Corentin en Gamelin

Nauwelijks heeft Michon gezegd dat een door Tiepolo geschilderde page het portret van de jonge François-Élie Corentin zou zijn of hij trekt die woorden alweer in twijfel:

Deze identificatie is maar al te verleidelijk, hoezeer misschien ook een verzinsel; die page is een type, geen portret. Tiepolo heeft hem bij Veronese weggehaald, niet bij zijn schildersknechtjes; het is een page, het is de page, het is niemand.

Eenzelfde onzekerheid geldt het tweede portret dat van Corentin zou zijn nagelaten:

Een nauwelijks minder twijfelachtig gebruik wil dat hij veertig jaar later opduikt, opnieuw in de hoogte neergezet in de grote doorwaaide vensternissen tussen de getuigen van De Eed op de Kaatsbaan, op de schets die David daarvan heeft gemaakt; hij is het leeftijdloze, van terzijde beziene, met een hoed getooide silhouet dat kleine kinderen wijst op de stormachtige vervoering van vijfhonderdzestig uitgestoken armen.

Jacques-Louis David, artistiek gezien een classicist maar politiek een revolutionair, schetste met zijn Eed op de Kaatsbaan (1790) de bijeenkomst van de Staten-Generaal op 20 juni 1789, waarin vertegenwoordigers van de derde stand op de kaatsbaan van het Paleis van Versailles zweren niet uiteen te gaan voor zij de natie een nieuwe grondwet hebben geschonken. Dat David op die schets de oudere Corentin zou hebben gekonterfeit is denkbaar, zeker in het licht van het volgende fragment uit De Elf. In de winter van 1793-1794 wordt Corentin door drie revolutionaire kopstukken ontboden:

‘Bereid om een opdracht te aanvaarden, citoyen schilder?’
    De vraag verraste en amuseerde hem. Hij verjongde hem ook.
    Opdrachten van particulieren, die kreeg hij nauwelijks meer. Niet dat hij zijn tijd werkeloos doorbracht, integendeel; hij werkte bij het Comité des arts, voor de Natie, oftewel voor David, onder David; onder bevel van David knutselde hij vrijheidsbeelden in elkaar, gelijkheidsgodinnen met de waterpas in de hand, rode mutsen boven Spartaanse rokjes, ex-voto’s voor Jean-Jacques Rousseau, frutsels en fratsels. Ze waren daar met een hele ploeg mee doende, de hele Franse schilderkunst of wat ervan over was, want David hield het hoofd koel en had mankracht nodig; weliswaar had hij al zijn rechtstreekse rivalen, die van zijn eigen generatie, de veertigers, uitgeschakeld, gevangengezet en verbannen, maar de oude handen van de hasbeens, Fragonard, Greuze, Corentin, had hij behouden; en natuurlijk ook de kwieke handen van de jeukerige jonkies, Wicar, Gérard, Prud’hon, het atelier van David, klein grut dat je moest wantrouwen als de pest. David, die Corentin vreesde omdat hij een meester was, minachtte hem ook omdat hij oud was, een aftandse volgeling van Tiepolo; maar hij liet hem voor zich werken, hij wist dat Corentin David meer vreesde dan andersom; want David zetelde in het Comité de sûreté nationale, en in die hoedanigheid zette hij zijn paraaf naast die van de elf onder aan de decreten, hij had het oor van Robespierre – en zijn andere oor en loense blik dwaalden slaapwandelend door Sparta, waar hij zijn modellen, zijn ontwerpen en zijn grillen vandaan haalde, die door Corentin in alle ernst werden uitgevoerd, terwijl hij zich inwendig bescheurde van het lachen.
    ‘Bereid om een opdracht te aanvaarden, citoyen schilder?’
    Ja, dat was hij wel – dat was hij misschien.

Tu veux honorer une commande, citoyen peintre? Michon verklaarde later dat hij deel II van De Elf pas kon schrijven toen hij die zin gevonden had. Essentieel is dat de vraag niet onderdanig klinkt (‘Veux-tu honorer une commande’), maar lapidair, grimmig, haast snerend. Vandaar ook dat de woordelijke vertaling (‘Wil je een opdracht aanvaarden’) in het Nederlands niet werkt.

François-Élie Corentin is niet de eerste citoyen schilder die het tot romanpersonage schopt. In Les Dieux ont soif (1912) van Anatole France (in 1971 vertaald door Theo Kars als De goden zijn dorstig), is de hoofdpersoon een obscure leerling van David, genaamd Évariste Gamelin. Natuurlijk verdient Gamelin in zijn fictieve hoedanigheid een lemma in de Encyclopedie van fictieve kunstenaars, en die heeft hij dan ook gekregen (zie hier). En natuurlijk dringt er zich een hoogst interessante vergelijking op tussen Corentin en Gamelin, en die is dan ook gemaakt (zie hier).

Aan De goden zijn dorstig is goed te zien hoe een onderwerp als de Terreur in een conventionele, 19e-eeuws aandoende romanvorm kan worden gegoten, en aan De Elf hoe groot de afstand is die Michon daarvan neemt – een afstand haast even groot als die tussen de afgrondelijke mislukking van Gamelin en de eeuwige roem van Corentin. Corentin is de uitverkorene van de twee: alleen voor hem heeft de geschiedenis de ‘buidel van het geluk’ losgeknoopt, om er de miraculeuze mogelijkheid van De Elf uit tevoorschijn te toveren.

De kans is groot dat hasbeen Corentin en jeukerig jonkie Gamelin elkaar in het atelier van David of in de straten van Parijs weleens tegen het lijf zijn gelopen. En het is zelfs niet ondenkbaar dat Gamelin, als lid van de jury van het Revolutionaire Tribunaal, een van degenen was die Corentin in 1794 tot de guillotine hebben veroordeeld alvorens daar zelf onder te belanden. Maar zeker weten doen we dat niet, we weten niet eens hoe Corentin aan zijn eind is gekomen. Het enige onomstotelijk zekere is het door Michon beschreven schilderij.

Print Friendly, PDF & Email