Gamelin, Évariste

Frans schilder, actief omstreeks 1789. Aanvankelijk schilderde hij, geheel volgens de toenmalige mode, hoofse scènes in de trant van Watteau en Fragonard, maar nadat hij gewonnen was geraakt voor het revolutionaire gedachtengoed verwierp hij die als uitwassen van monarchistische verdorvenheid. Star en rechtlijnig van aard, had hij hoe dan ook maar weinig talent voor erotische afbeeldingen. In navolging van zijn meester David, de leider van de nieuwe school, liet hij zich vervolgens inspireren door de Etrusken en de Romeinen en schilderde antieke allegorieën. Zijn Hercules die de Hydra van de Tirannie vermorzelt en zijn Tiran door de Furiën achtervolgd tot in het Schimmenrijk, zijn niet van grootsheid gespeend, evenmin als zijn Electra aan het Ziekbed van Orestes, wellicht Gamelins beste doek. In het beeld van de schone, tragische Orestes, die door zijn zuster Electra het schuim van de mond wordt geveegd en het haar uit de ogen gestreken, weet Gamelin het grimmige lijden van de moedermoordenaar voelbaar te maken.

Naar Gamelins opvatting was op de hoogtijdagen van de Franse schilderkunst, vertegenwoordigd door Claude Le Lorrain en Poussin, een diep verval gevolgd, de uitdrukking van het algehele verval der zeden onder de monarchie. Pas nu de Académie door de Revolutie was afgeschaft, kon er gestalte worden gegeven aan een kunst die een vrij volk waardig was. Toch ontsteeg Gamelin nimmer de status van obscuur schilder: het ontbrak hem ten enenmale aan de middelen om zich van schildersbenodigdheden en modellen te voorzien. De Franse kunst had omstreeks 1790 geen afzetmarkten meer in Europa, en onder invloed van de economische en politieke crisis was ook in Frankrijk zelf de belangstelling voor schilderkunst tanende. Alleen zeldzame talenten als Gérard, Regnault of David slaagden er nog weleens in een doek te verkopen. Al Gamelins meer ambitieuze projecten bleven steken in de fase van schetsen.

Gamelin, actief lid van de sectie Pont-Neuf en een groot bewonderaar van eerst Marat, later Robespierre, was nauw betrokken bij de revolutionaire gebeurtenissen. Hij trachtte in zijn levensonderhoud en dat van zijn moeder te voorzien door het vervaardigen van een patriottisch kaartspel, waarin de heren, vrouwen en boeren van het Ancien Régime waren vervangen door Vrijheden, Gelijkheden en Broederschappen. De prentenhandelaar Jean Blaise, die weinig commercieel heil van het kaartspel verwachtte, weigerde de prenten te laten etsen en drukken. Gamelins noden werden pas gelenigd toen hij toetrad tot de jury van het Revolutionaire Tribunaal: het gerechtshof dat tussen zomer 1793 en 1794 verantwoordelijk was voor de Terreur, de terechtstelling van circa 40.000 contra-revolutionairen, schurken die samenspanden met het buitenland en aanzetten tot burgeroorlog. Gamelin was een van degenen die besloten tot de onthoofding van koningin Marie-Antoinette, op 16 oktober 1793, een represaille voor de moord op Marat.

Op den duur verkreeg de guillotine in de ogen van Gamelin welhaast religieuze, mystieke trekken: men is de misdadigers hun straf verschuldigd, hun die ontzeggen is misdadig. ‘Sainte guillotine, sauve la patrie!’ was zijn lijfspreuk. Als de laatste schurk was terechtgesteld, zou de hele bevrijde mensheid plaats kunnen nemen aan de feestdis zonder einde waarvan de Franse Republiek een voorbode was. De guillotine verwerd in de handen van het Revolutionaire Tribunaal al snel tot een politiek instrument, en veel van de vurigste pleitbezorgers van de Terreur, die de guillotine beschouwden als hun enige bescherming tegen contra-revolutionaire complotten, werden zelf door politieke tegenstanders op het schavot ter dood gebracht: Danton, Desmoulins, Hébert, Chaumette. Zo ook Gamelin. Nadat hij zijn verpauperde buurman Brotteaux, zijn beschermvrouwe Rochemaure en zelfs zijn schoonbroer Chassagne tot de guillotine had veroordeeld – ‘Uit piëteit vergiet ik het onzuivere bloed van de vijanden van het vaderland’ – werd hij zelf op de tiende Thermidor onthoofd, tegelijk met de harde kern der Jacobijnen. Zijn poging om een dag eerder, toen Robespierre en de zijnen in het Hôtel de Ville werden gearresteerd, zelfmoord te plegen, mislukte jammerlijk; het mes ketste af op een rib. Gamelins doeken werden verkocht door een uitdrager, gevestigd aan de Boulevard du Temple. Ze konden nog door andere artiesten worden gebruikt.

  • Anatole France, Les dieux ont soif, 1912

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email