Ware leugens

Behoort u ook tot de snobs die het boek altijd beter vinden dan de film? Let op, u krijgt binnenkort een uitgelezen kans om uw smaakoordeel te scherpen.

Thomas Vinterberger, de Deense cineast die met Festen internationaal hoge ogen gooide, werkt momenteel aan de verfilming van Le Grand Cahier, de evenzeer internationaal bejubelde, uit 1986 stammende debuutroman van de Hongaars-Zwitserse Agota Kristof (1935). De vertaling van dat boek, Het dikke schrift, is inmiddels heruitgegeven, samen met de twee romans die op dat debuut volgden, Het bewijs (1988) en De derde leugen (1991).

De tweelingtrilogie is nu dus eindelijk in één band voorradig in het Nederlands. Eindelijk, want de drie romans moeten als een samenhangend geheel worden beschouwd. De beproevingen van de prepuberale tweeling in oorlogstijd uit Het dikke schrift, de naoorlogse zoektocht van de gescheiden broers uit Het bewijs en het verdrongen familiedrama uit De derde leugen sluiten naadloos op elkaar aan.

Dat neemt niet weg dat elk deel van Kristofs drieluik in tegenspraak is met elk ander. In elk deel worden verhalen verteld die in een volgend deel worden geloochend, komen gebeurtenissen voor die zich in een vorig deel heel anders lijken te hebben afgespeeld. Het geheel vormt een fascinerend weefsel van leugens, een ingewikkeld vlechtwerk van ficties.

Kristof zelf is de onzichtbare spin in het web. Haar stem is alleen hoorbaar in de programmatische uitspraken die zij haar verscheurde personages in de mond legt: ‘Ik probeer ware geschiedenissen te schrijven, maar op een bepaald ogenblik wordt de geschiedenis onverdraaglijk, juist door de waarheid, en dan ben ik gedwongen er iets aan te veranderen. (…) Dus maak ik alles mooier en beschrijf ik de dingen niet zoals ze gebeurd zijn, maar zoals ik had gewild dat ze gebeurd waren.’

Het broze bouwsel van waarheid en leugen dat Kristof optrekt, wordt geschraagd door een geraffineerd gebruik van het vertelperspectief. De hoofdfiguren zijn zelf de vertellers van hun verhaal, de tekst is ogenschijnlijk een directe neerslag van hun wederwaardigheden. Kristofs titels verwijzen ook naar die dramatische functie van de tekst: Het dikke schrift is het schrift waarin de naamloze tweeling zijn overlevingsstrijd noteert, Het bewijs is het manuscript dat volgens de ene broer het bestaan van de fictieve andere broer aantoont, De derde leugen is de door de ene broer aangevangen en door de andere voltooide beschrijving van het verdrongen oerdrama waarop alle latere leugens terug te voeren zijn.

Het sterkst werkt die versmelting van personage en verteller in Het dikke schrift. Een tweeling brengt de oorlog door bij Grootmoeder, een cynische, drankzuchtige vrouw die woont aan de rand van de Kleine Stad, vlak bij de grens. De twee, een anonieme ‘wij’, noteren hun waarnemingen en lotgevallen in droge korte scènes, sketches bijna, en hanteren daarbij een uiterst sobere, kinderlijk eenvoudige stijl. Van die eenvoud gaat een enorme zeggingskracht uit. Ongemerkt lees je het schrift al snel met de ogen van de jongens en bezie je de wereld met hun blik.

Dat blijkt een onthutsende ervaring. Omdat hun wereld hard en wreed is, doen de broers er alles aan om zich te harden en zich te oefenen in wreedheid. Ze belichamen een soort immanente gerechtigheid: ze verminken het hardvochtige dienstmeisje, chanteren de onbarmhartige priester, voeden de deserteur, verlossen de buurvrouw uit haar ondraaglijk lijden. Ze aarzelen niet hun Vader op een mijn te laten lopen om een van hen het land uit te kunnen laten vluchten. Het is zelfs niet onmogelijk dat ze de hand hebben in de granaatontploffing die de dood van hun Moeder veroorzaakt.

Consequent laat Kristof de stijl van de trilogie meegroeien met de personages. In de latere delen is die stijl dan ook lang niet zo kaal en uitgebeend en maakt de afstandelijkheid uit Het dikke schrift plaats voor een meer psychologiserende verteltrant. De opgroeiende Lucas, een van de broers, verklaart op de eerste pagina’s van Het bewijs zijn nervositeit als het gevolg van een uit de oorlog daterend ‘psychisch jeugdtrauma’. Op hoge leeftijd noteert Klaus, de andere broer, dat het leven ‘van een volstrekte nutteloosheid is, het is zinloosheid, waanzin, lijden zonder eind, het bedenksel van een antigod wiens boosaardigheid alle begrip te boven gaat’.

Hoe anders klinkt het credo van de tweeling op jeugdige leeftijd: ‘Woorden die een gevoel aanduiden zijn heel vaag, het is beter het gebruik ervan te vermijden en zich te houden aan de beschrijving van de dingen, van de mensen en van zichzelf, dat wil zeggen aan de getrouwe beschrijving van de feiten.’

Zo vormt de trilogie een paradoxaal geheel. Het dikke schrift bestaat uitsluitend uit naakte beschrijvingen van ‘feiten’, terwijl het van begin tot eind het gehallucineerde verzinsel blijkt te zijn van een door verlatenheid verscheurd kind. De derde leugen onthult de ware toedracht van het gebeurde rond de tweeling, maar is een al met al tamelijk larmoyant en ongeloofwaardig verhaal over ongeneeslijk familieleed en onmogelijke broeder- en broeder-zusterliefde. Het bewijs, het meest complexe en raadselachtige deel, neemt in alle opzichten een tussenpositie in.

Op de vraag of dat paradoxale geheel meer is dan de som der delen, moet het antwoord dan ook luiden: ja en nee. Ja, want lezing van de trilogie leert dat literatuur mag liegen of het gedrukt staat zonder dat dat de geloofwaardigheid ervan aantast, dat de waarheid van literatuur niets te maken heeft met enigerlei ‘ware toedracht’ maar met de zeggingskracht van een stijl en met de verbeelding die die stijl bijeenhoudt. Nee, want Het dikke schrift blijft ontegenzeglijk het sterkste wat Kristof schreef. Ze hadden gelijk, de uitgevers in meer dan twintig landen die er een meesterwerk in herkenden, de theatermakers die het bewerkten, de docenten die Le Grand cahier naast L’Étranger en Le Petit Prince op hun leeslijsten zetten, de scholieren die het samenvatten op hun websites, de recensenten die het uitriepen tot ‘eeuwige parel’, en de lezers, die zich totnogtoe voor de overgrote meerderheid beperkten tot het eerste deel van de trilogie. Ze hadden gelijk, en ze kunnen nu nagaan waarom.

Thomas Vinterberger liet in Festen zien dat hij een zwak heeft voor familiedrama’s en incestmotieven. De snobs zullen het wel weer bij het rechte eind hebben.

  • Agota Kristof, Het dikke schrift, Het bewijs, De derde leugen, vertaald uit het Frans door Henne van der Kooy, Van Gennep, 2001.

[de Volkskrant, 3 augustus 2001, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email