Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve, fragment

Dat smalle reepje boven de gordijnen vertelt me door zijn mate van helderheid wat voor weer het is en deelt nog voor het me dat vertelt de stemming ervan aan me mee. Maar ik heb het niet eens nodig. Al lig ik nog naar de muur gekeerd, en al is het reepje nog niet eens verschenen, aan het geluid van de naderende eerste tram en aan zijn bel kan ik horen of hij lijdzaam in de regen rijdt of op weg is naar het blauw van de hemel. Want niet alleen elk seizoen, maar ook elk weertype biedt hem zijn atmosfeer aan als een variërend instrument waar hij het altijd eendere deuntje van zijn geratel en zijn bel op kan spelen; en niet alleen klinkt datzelfde deuntje anders als het opgalmt en uitstraalt in de lege, sonore lucht van een heldere, ijzige winterdag, in plaats van tussen geuren zijn weg te zoeken in de al met warmte vermengde lucht van een zomerochtend die zich opmaakt voor het stollen van het middaguur, het krijgt ook een andere kleur, een andere betekenis, en drukt een heel ander gevoel uit wanneer het als een trom door mist wordt omfloerst, wanneer het vloeibaar wordt en zingt als een viool in de grenzeloze, ijle atmosfeer, waarin de wind, inmiddels helemaal klaar om die gekleurde, ijle orkestratie te ontvangen, zijn beekjes laat stromen, of wanneer het met de priem van een piccolo door het blauwe ijs van zonnig, koud weer heen breekt – de eerste straatgeluiden brengen me de lusteloosheid van de regen waarin ze verkleumen, het licht van de ijzige lucht waarin ze vibreren, de neerslachtigheid van de mist die ze dempt, de zachtheid en de vlagen van een stormige, zoele dag met lichte regen, die ze maar heel lichtjes bevochtigt en snel wordt weggevaagd door een zuchtje of gedroogd door een zonnestraal. Vooral op die dagen, als de wind in de schoorsteen een onweerstaanbare lokroep laat klinken, die mijn hart sneller doet kloppen dan dat van een meisje dat de rijtuigen hoort langsratelen op weg naar een bal waar zij niet is uitgenodigd en het orkest hoort spelen door het open raam, zou ik na een nacht in de trein graag ’s ochtends vroeg, op het tijdstip van de café au lait, aankomen in een of ander Normandisch stadje, Caudebec of Bayeux, dat aan me zou verschijnen met zijn oeroude naam en klokkentoren, alsof het getooid was met het traditionele kapje van een boerin uit het Pays de Caux of met een kanten muts à la koningin Mathilde, en onmiddellijk een wandeling gaan maken langs de stormachtige zee, door het stuifwater achtervolgd tot aan de kerk, een visserskerk die als een roze, gekartelde schelp verrijst tussen de ronde daken van de huizen, op wonderbare wijze beschut tegen de baren, die er nog altijd lijken te deinen in de transparantie van de glas-in-loodramen, waarop ze de hemelsblauwe en purperen vloot van Willem en zijn krijgers omhoogtillen, en die zich lijken te hebben gespleten om in hun ronde, groene golf de onderwaterstilte van de in vocht en purper gesmoorde crypte te omklemmen, waar je de wonderbare Christus vlak bij [onleesbaar] over de wateren ziet zweven, maar waarvan hier en daar nog een plasje is blijven staan op de bodem van de stenen wijwatervaten. En het weer buiten heeft zelfs niets anders nodig dan de kleur van het daglicht en het timbre van de straatgeluiden om zich aan mij bekend te maken en me mee te lokken naar het seizoen en het klimaat waarvan het een afgezant lijkt. Wanneer ik voel hoe rustig en traag de verbindingen en uitwisselingen zijn in mijn innerlijke stadje van zenuwen en bloedvaten, weet ik dat het regent en zou ik me in Brugge willen bevinden, waar de hennetjes, de waterhoentjes en het varken voor mijn middagmaal zouden braden bij de als een winterzon zo rode oven, als op een schilderij van Bruegel. Wanneer ik heel dat volkje van mijn zenuwen al dwars door mijn slaap heen heb gevoeld, actief en lang voor mij ontwaakt, wrijf ik in mijn ogen, kijk hoe laat het is om te zien of ik op tijd in Amiens kan zijn om de kathedraal, met de beelden die tegen haar gouden muur aan gedrukt staan, door kroonlijsten beschut tegen de wind, in de vroege middagzon een hele wijngaard van schaduw te zien tekenen bij de bevroren Somme. Ik ben al uit bed gesprongen, zie mezelf in de spiegel duizend verrukte gezichten trekken en zing, want de dichter is als het standbeeld van Memnon: bij de eerste straal van de opkomende zon begint hij te zingen. Maar op mistige dagen zou ik voor het eerst wakker willen worden in een kasteel dat ik nog nooit anders had gezien dan zo, laat opstaan, rillend in mijn nachthemd, monter teruggaan naar de schouw en me daar schroeien aan het grote vuur, waaraan de ijzige winterzon zich komt warmen op het tapijt, ik zou door het raam een mij onbekende ruimte zien, en tussen de fraai ogende vleugels van het kasteel een uitgestrekte binnenplaats, waar de koetsiers bezig zijn met het roskammen van de paarden die ons weldra naar het bos zullen brengen om de Vennen en het Klooster te zien, terwijl de vrouw des huizes, die vroeg is opgestaan, tot stilte maant om mij niet wakker te maken. Soms, op een lenteochtend die verdwaald is in de winter, wanneer de ratel van de geitenhoeder helderder parelt in de blauwe lucht dan de fluit van een Siciliaanse herder, zou ik de besneeuwde Sint-Gotthard willen overgaan en willen afdalen in het volop bloeiende Italië. En al aangeraakt door die vroege zonnestraal ben ik uit bed gesprongen, heb duizend vrolijke dansjes en gebaren gemaakt en zie die in de spiegel, zeg opgewekt allerlei dingen die van zichzelf niets vrolijks hebben en zing, want de dichter is als het standbeeld van Memnon. Bij de eerste straal van de opkomende zon begint hij te zingen.

[Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve. Relaas van een ochtend, vertaald door Marjan Hof. Athenaeum, Polak & Van Gennep, 2009]

  • ‘[…] een regelrechte modeluitgave, waarvoor niets anders dan een royale buiging past’ – De Morgen
  • ‘Ook bij het vertalen hebben de samenstellers Proust niet willen parfumeren: “lelijke zinnen zijn lelijk geworden,” schrijven ze in hun verantwoording, maar daaraan mag worden toegevoegd dat ze Prousts meesterschap in de meer uitgewerkte passages volledig recht doen.’ – NRC Handelsblad
  • ‘prachtige vertaling’ – de Volkskrant
  • ‘de beste drie vertalers uit het Frans’ – de Groene
  • ‘De vertalers hebben niet alleen een tekst weten te creëren die de indruk maakt oorspronkelijk Nederlands te zijn met de stilistische vaardigheden en eigenheid van een Proust, maar ook staan zij garant voor een goed doordachte en verantwoorde redactie van deze verzameling “opzetjes” voor Prousts grote roman, die een extra en in feite onmisbare dimensie krijgt met deze uitgave.’ – Filter

Print Friendly, PDF & Email