Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve, nawoord

Van essay tot megaroman

Lange tijd werd aangenomen dat Marcel Proust tussen 1896, het jaar waarin hij debuteerde met de bundel Les Plaisirs et les jours, en 1910, het jaar waarin hij zou zijn begonnen aan À la recherche du temps perdu, het luie leventje van een saletjonker leidde. Weliswaar vertaalde hij met hulp van zijn moeder en een Engelse vriendin twee omvangrijke studies van John Ruskin (La Bible d’Amiens en Sésame et les lys, respectievelijk verschenen in 1904 en 1906) en publiceerde hij regelmatig artikelen in Le Figaro en diverse tijdschriften, maar voor de buitenwereld wees niets erop dat hier een van zijn roeping bezeten jonge kunstenaar driftig op zoek was naar de vorm die hem uiteindelijk tot de grootste Franse schrijver van de twintigste eeuw zou maken. De onsterfelijke blunder van André Gide, die namens uitgeverij N.R.F. het eerste deel van de Recherche afwees omdat het alleen maar verhaaltjes over hertoginnen zou bevatten (hij zou dat algauw een van de grootste vergissingen van zijn leven noemen), kan model staan voor het hardnekkige beeld van de jonge Proust als dagdievende snob. Zelfs nadat in de jaren 50 duidelijk was geworden dat de auteur van de Recherche tussen 1895 en 1899 al aan een omvangrijk romanproject had gewerkt (het onvoltooide Jean Santeuil) en dat hij zich na de twee Ruskinvertalingen (die overigens op een merkwaardige manier samenvielen met de dood van zijn vader in 1903 en die van zijn moeder in 1905) al aan het eind van 1907 weer aan het schrijven had gezet, ditmaal om via een aanval op de beroemde negentiende-eeuwse criticus Sainte-Beuve zijn eigen opvatting van literatuur te formuleren of te illustreren, bleef de mythe van de mondaine flierefluiter voortduren. Nog in 1979 schrijft de toch niet van intelligentie verstoken denker Roland Barthes, in een overigens zeer treffend essay: ‘Kortom, twee kanten, twee werelden aan weerszijden van die maand september 1909: ervoor het mondaine leven, de creatieve aarzeling, erna de afzondering, de rechte lijn.’ Het moet gezegd dat hij er tussen haakjes nog wel aan toevoegt: ‘Ik simplificeer natuurlijk.’

In werkelijkheid gaat de tegenstelling niet tussen een mondaine jongeman en een teruggetrokken schrijver, maar tussen een zoekende jonge kunstenaar en een rijpe kunstenaar die zijn vorm gevonden heeft. De overgang was ook minder abrupt dan de mythe ons wil doen geloven. Aan de basis van À la recherche du temps perdu lag geen briljante ingeving die vervolgens alleen maar hoefde te worden uitgewerkt, maar een bescheiden plan dat door zijn interne logica steeds verder uitdijde, tot het uiteindelijk overging in de Recherche zoals wij die nu kennen. Dat eerste plan droeg de provisorische naam Contre Sainte-Beuve, en het boek dat u nu in handen hebt is niets anders dan een selectie uit de bewaard gebleven schetsen. Dat klinkt overigens eenvoudiger dan het is. In het Frans bestaat er geen gezaghebbende editie van die schetsen, of liever gezegd: er bestaan twee edities, beide verre van volledig, waarvan de ene een goed totaalbeeld geeft maar de tekst op detailniveau geen recht doet, terwijl de andere de tekst zeer nauwgezet reproduceert maar een verkeerd totaalbeeld geeft. De eerste tekstbezorger, Bernard de Fallois, heeft in 1954 vooral een lekkerwegleesboek voor het grote publiek willen maken: uit Prousts losse schetsen heeft hij door knippen en plakken een min of meer coherent geheel samengesteld, dat niet alleen het fragmentarische, onvoltooide aspect van de schetsen verdoezelt, maar ook een foto maakt van iets wat in essentie een film is, een doorgaande ontwikkeling waarin de basiselementen voortdurend veranderen. Hij doet overigens geen enkele poging om de kunstmatigheid van zijn project te verhullen, en zijn grote verdienste is geweest dat hij direct de genetische band tussen Contre Sainte-Beuve en de Recherche heeft begrepen. Die band wordt door Pierre Clarac, de tekstbezorger van de Pléiade-editie uit 1971, ontkend: volgens hem was Contre Sainte-Beuve geen narratief project maar een essay, en hij beperkt zich dan ook tot de literair-kritische fragmenten, soms zelfs door die uit een onmiskenbaar narratief geheel te isoleren. Ook in de geselecteerde fragmenten breken regelmatig narratieve elementen door, zoals het opvallende ‘jij’ waarmee de verteller zijn moeder aanspreekt in de stukken over Baudelaire en Balzac. Sinds de jaren 70 is er veel onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de Recherche gedaan, en ondanks meningsverschillen over de datering van individuele schetsen zijn de onderzoekers het over één ding eens: Clarac zat ernaast, Fallois had gelijk.

Uit dat onderzoek, waarbij Prousts correspondentie een belangrijke leidraad vormt, komt ongeveer de volgende chronologie naar voren. Na de dood van zijn moeder in 1905 en de voltooiing van zijn tweede Ruskinvertaling komt Proust een tijdlang niet tot werken, maar in het voorjaar van 1908 heeft hij alweer een indrukwekkend aantal projecten op stapel staan. Begin mei geeft hij in een brief aan Louis d’Albufera de volgende opsomming:

een studie over de adel
een Parijse roman
een essay over Sainte-Beuve en Flaubert
een essay over Vrouwen
een essay over Pederastie (niet makkelijk te publiceren)
een studie over kerkramen
een studie over grafstenen
een studie over de roman

Het is de eerste keer dat Proust in een brief expliciet aangeeft over Sainte-Beuve te willen schrijven, maar diens werk hield hem al langer bezig. In het voorwoord bij Ruskins Sésame et les lys uit 1905, later zelfstandig gepubliceerd als ‘Journées de lecture’, merkt hij in een noot op dat de criticus alle grote schrijvers van zijn tijd heeft miskend: hetzelfde argument dat hij later zal gebruiken. Mogelijk was de concrete aanleiding tot Prousts hernieuwde belangstelling voor Sainte-Beuve een artikel van Paul Bourget op 7 juli 1907 in Le Figaro, waarin de net overleden Belgische criticus Spoelberch de Lovenjoul wordt geprezen als de beste of zelfs enige navolger van Sainte-Beuves ‘botanica van de ziel’. Proust knipte het artikel uit en bewaarde het, om het uiteindelijk te citeren in ‘De methode van Sainte-Beuve’. Volgens een brief uit het jaar erna had hij zijn Sainte-Beuve al in 1907 klaar in zijn hoofd.

Interessanter in het lijstje met schrijfprojecten is echter de vermelding van een Parijse roman. Van die ‘roman van 1908’, zoals de specialisten het inmiddels noemen, is niets bewaard gebleven, behalve een paar passages die Bernard de Fallois in zijn editie van Contre Sainte-Beuve heeft opgenomen: de bron waaruit hij putte, een stapel van vijfenzeventig losse vellen, is op raadselachtige wijze zoekgeraakt. Wel hebben we een indicatie van de inhoud ervan, want in een aantekenboekje uit die periode (het zogenoemde Carnet I) geeft Proust een lijstje met ‘geschreven bladzijden’, waaronder stukken over ‘de kant van Villebon en de kant van Méséglise’ (de latere kant van Guermantes en kant van Swann) en over een tafereel dat in de Recherche terugkeert als het ‘drama van het slapengaan’. Maar net als in zijn eerdere romanproject Jean Santeuil ontbreekt de verbindende vorm waarin de losse herinneringen, anekdotes en associaties hun plaats kunnen vinden, en in het najaar van 1908 komt Proust in een diepe crisis terecht. In hetzelfde aantekenboekje schrijft hij:

Misschien moet ik dankbaar zijn voor mijn slechte gezondheid, die me door de traagheid de vermoeidheid de roerloosheid, de stilte, heeft geleerd hoe ik kan werken. Voortekenen van de dood. Binnenkort kun je dat allemaal niet meer zeggen. De luiheid of twijfel of onmacht die achter de aarzeling over de kunstvorm zitten. Moet ik er een roman van maken, een filosofische studie, ben ik romancier?

Die aarzeling tussen een betogende en een narratieve vorm kenmerkt Prousts hernieuwde schrijfactiviteit vanaf eind 1908, die zich nu echt op Sainte-Beuve heeft geconcentreerd. In twee brieven van eind november of begin december legt hij zijn dilemma in bijna gelijke bewoordingen voor aan Georges de Lauris en Anna de Noailles. Aan de eerste schrijft hij:

Mag ik je om een advies vragen? Ik ga iets schrijven over Sainte-Beuve. Ik heb in zekere zin twee artikelen klaar in mijn hoofd (tijdschriftartikelen). Het ene is een klassiek artikel, het essay van Taine maar dan minder goed. Het andere zou beginnen met het relaas van een ochtend, Moeder zou bij mijn bed komen en ik zou haar vertellen over een artikel dat ik wil schrijven over Sainte-Beuve. En ik zou het aan haar uiteenzetten. Wat vind je het beste?

Lauris adviseert ongetwijfeld de eerste vorm. Proust, in zijn volgende brief: ‘Dank voor je advies. Het is het juiste. Maar zal ik het opvolgen? Misschien niet, om een reden die je vast wel kunt billijken.’ En verderop: ‘Ik denk dat mijn studie je zal bevallen als ze ooit geschreven wordt.’

De aarzeling blijft voortbestaan, Proust werkt aanvankelijk beurtelings aan beide projecten. De theoretische stukken schrijft hij op losse foliovellen (door de Bibliothèque Nationale later gebundeld als ‘Proust 45’), voor de narratieve stukken gebruikt hij cahiers van het soort dat hij ook voor de Recherche zal gebruiken. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat Contre Sainte-Beuve de eerste tien bewaard gebleven cahiers beslaat, die door de Bibliothèque Nationale helaas niet in chronologische volgorde zijn genummerd (de juiste volgorde is waarschijnlijk 3, 2, 5, 1, 4, 31, 36, 7, 6, 51). Overigens schreef Proust niet alle cahiers netjes lineair vol: soms werkte hij in verschillende cahiers tegelijk, en het was zijn gewoonte om op de rechterpagina’s te schrijven en het schrift ook op zijn kop en achterstevoren te gebruiken (maar niet systematisch). Ook inhoudelijk is zijn schrijfwijze niet lineair: hij pakt dezelfde motieven telkens opnieuw op, werkt ze uit, dikt ze in, combineert of scheidt ze. Dat alles maakt het bepalen van de exacte chronologie moeilijk, zo niet onmogelijk, maar duidelijk is dat het narratieve project algauw de overhand krijgt over het theoretische project, hoewel Proust het tegen Georges de Lauris op 6 maart van het volgende jaar nog altijd over zijn ‘studie’ heeft – mogelijk omdat hij nog altijd bang is voor het mislukken van het narratieve project.

Dat laatste neemt een grote vlucht, zozeer dat het verhaal in het vierde of vijfde cahier (respectievelijk genummerd als 1 en 4) uit zijn tijdruimtelijke voegen barst: de roman is geboren, zij het nog altijd met hetzelfde basisidee als het ‘relaas’. De ik-persoon, een ziekelijke jongeman met schrijfambities, is aan het eind van de nacht naar bed gegaan (hij slaapt overdag) en ligt in het donker te wachten op de dag en het moment dat zijn moeder hem zijn post zal komen brengen en welterusten komen wensen. Tijdens het wachten, dat wordt gekleurd door indrukken van het eerste daglicht, geluiden van buiten, herinneringen, verlangens en associaties, denkt hij aan een artikel dat hij al een hele tijd geleden heeft opgestuurd naar Le Figaro, maar dat nog steeds niet is verschenen: hij heeft de hoop al opgegeven. Maar als zijn moeder dan binnenkomt en Le Figaro zo onopvallend mogelijk naast hem neerlegt, begrijpt hij dat het stuk toch is verschenen. Hij praat een tijdje met haar en vertelt haar over een nieuw artikel dat hij wil schrijven, waarin hij de criticus Sainte-Beuve wil aanvallen op diens methode.

Weinig doet hier aan À la recherche du temps perdu denken, en toch is dit de kiemcel waaruit de grote roman is voortgekomen. In een fundamenteel artikel uit 1976 laat Claudine Quémar zien hoe die ontwikkeling van kort verhaal tot megaroman heeft kunnen plaatsvinden. Aan de oorsprong van de expansie ligt een tegenstrijdigheid. Proust wil het niet alleen hebben over die ene ochtend dat de ik-persoon zijn artikel in Le Figaro aantreft en aan zijn moeder uitlegt waarom de methode van Sainte-Beuve onjuist is, hij wil met de vorm van zijn verhaal tegelijk ook zijn eigen literatuuropvatting illustreren, waarin een hoofdrol is weggelegd voor associaties, zintuiglijke indrukken en zuiver lichamelijke herinneringen. Dat doet hij door te beschrijven hoe iemand die ’s nachts wakker wordt, in het donker vaak heen en weer wordt geslingerd tussen verschillende plaatsen en tijden uit het verleden; het probleem is alleen dat zijn eigen ik-persoon niet ’s nachts slaapt, maar overdag, en het relaas van de specifieke ochtend lijkt dus niet te combineren met het algemene beeld van nachtelijke duisternis dat hij nodig heeft om zijn punt te maken. Maar na tal van krampachtige pogingen om de twee elementen te combineren vindt hij de oplossing, die de deur naar de roman wagenwijd openzet en de definitieve tijdsstructuur van de Recherche bepaalt: ‘Vroeger had ik net als iedereen ondervonden hoe heerlijk het is om midden in de nacht wakker te worden […]’. Het nachtelijke ontwaken met bijbehorende associaties en herinneringen wordt gekoppeld aan het verleden van de ik-persoon, toen hij nog wel ’s nachts sliep, en er ontstaat een getrapte tijdsstructuur: heden (schrijven), recent verleden (de beschreven ochtend), verder verleden (de tijd dat hij ’s nachts sliep en af en toe wakker werd), ver verleden (bewaard in het geheugen van het lichaam). Een aantal schetsen later wordt dat:

Ten tijde van de ochtend waarvan ik de herinnering om een of andere reden wil vastleggen, was ik al ziek, ik bleef de hele nacht op, ging ’s morgens naar bed en sliep overdag. Maar nog heel dicht bij me lag een tijd waarvan ik hoopte dat hij zou terugkeren en die me nu haast door iemand anders lijkt te zijn beleefd, een tijd waarin ik ’s avonds om tien uur naar bed ging en met enkele korte onderbrekingen doorsliep tot de volgende ochtend.

Vanaf daar is het nog maar een kleine stap naar de beroemde beginzin van de Recherche: ‘Lange tijd ben ik vroeg naar bed gegaan.’ Maar het zou nog lang duren voordat Proust die stap zou zetten. Op zijn vroegst in 1910, wanneer de roman inmiddels honderden bladzijden beslaat en we allang niet meer in de Contre Sainte-Beuve-cahiers zitten, laat hij het idee van een afsluitend gesprek tussen de ik-persoon en zijn moeder vallen – waarmee de vermelding van de ochtend in de openingszin ook overbodig wordt. Helemaal verdwijnen doet het gesprek met Moeder over literatuur overigens niet, want in de Recherche keert het terug als gesprek met Albertine in La Prisonnière; het lezen van het artikel in Le Figaro wordt beschreven in Albertine disparue, en zo hebben alle basiselementen van de narratieve Contre Sainte-Beuve toch een plaats gekregen in de uiteindelijke roman, die ondanks het wegvallen van het programmatische slot overigens nog altijd een sterk essayistisch stempel draagt; Roland Barthes spreekt in dit verband zelfs van een radicaal nieuwe ‘derde vorm’ tussen roman en essay.

De overgang van verhaal naar roman hangt dus vooral samen met het opduiken van een verleden: ‘vroeger’, toen de ik-persoon nog ’s nachts sliep. Niet alleen stelt die tijdsdimensie Proust in staat de lichamelijke, onwillekeurige herinnering alle ruimte te geven (‘heel Combray kwam uit mijn kopje thee,’ vat hij het effect van de beroemde aha-erlebnis met de madeleine later samen), ook de opzet van de Recherche als ontwikkelingsroman vloeit eruit voort, omdat de afstand tussen begin- en eindsituatie productief kan worden gemaakt en van betekenis voorzien (iets wat het statische kader van het verhaal niet toeliet). En last but not least: door zijn ik-persoon in de tijd te plaatsen kan Proust zijn romaneske verbeelding de vrije loop laten en tal van nieuwe personages introduceren (waarvan het aantal in het verhaal beperkt bleef tot drie: de ik-persoon zelf, zijn moeder en de dienstmeid). Nog in de tien Contre Sainte Beuve-cahiers verschijnen de meeste belangrijke personages van de toekomstige roman ten tonele: de Guermantes, Swann en zijn vrouw Sonia (de latere Odette), madame De Villeparisis, de borduurwerker Juliot (de latere Jupien), de vier bloeiende meisjes, de Verdurins, Montargis (de latere Saint-Loup), Swanns dochter (Gilberte), de homoseksuele monsieur De Guerchy (de latere Charlus), dokter Cottard; alleen de kunstenaarsfiguren, aan wie in de latere roman de artistieke roeping van de ik-persoon zal worden gespiegeld, ontbreken nog grotendeels. Ook de plaatsen van handeling liggen na het loslaten van de eenheid van tijd en ruimte al meteen vast: Combray, Parijs, Querqueville (het latere Balbec), Venetië.

In de eerste helft van augustus 1909 biedt Proust zijn boek in een ‘vertrouwelijke en tamelijk dringende’ brief ter publicatie aan bij Alfred Vallette, de chef van Le Mercure de France:

Ik voltooi een boek dat ondanks zijn provisorische titel, Tegen Sainte-Beuve, Herinnering aan een ochtend, een echte roman is […]. De naam van Sainte-Beuve komt niet uit de lucht vallen. Het boek eindigt met een lang gesprek over Sainte-Beuve en de esthetiek […] en wie het boek uit heeft, begrijpt (dat hoop ik tenminste) dat de hele roman niets anders is dan een toepassing van de artistieke principes die in dat laatste deel uiteen worden gezet, een soort voorwoord dat aan het eind is geplaatst.

Proust hoopt dat Vallette zijn boek vanaf oktober als feuilleton wil uitgeven, maar de uitgever zegt nee. Een maand later ontmoet hij in Cabourg de chef van Le Figaro, Gaston Calmette, die zich meer dan geïnteresseerd toont en hem een concreet aanbod doet, maar na een onhandige manoeuvre van Proust komt het uiteindelijk toch niet van publicatie: misschien wel de productiefste afwijzing in de Franse literatuurgeschiedenis, want noodgedwongen blijft de schrijver verder werken aan zijn project, tot hij (na nog vijf afwijzingen, waaronder die van Gides N.R.F.) in 1913 uitgeverij Grasset bereid vindt het eerste deel van À la recherche du temps perdu uit te brengen op kosten van de auteur. Op dat moment zijn de belangrijkste stukken van zijn roman al geschreven, met name het nieuwe slot.

De laatste keer dat de naam Sainte-Beuve in Prousts correspondentie opduikt als onderdeel van de provisorische titel is begin oktober 1909, wanneer hij zijn vriend Georges de Lauris aankondigt dat hij hem ‘de eerste paragraaf van het eerste hoofdstuk van Sainte-Beuve (haast een boekdeel op zich, die eerste paragraaf)’ wil laten lezen nadat hij zijn ‘vormeloze kladjes’ in het net heeft laten zetten (ongetwijfeld vanwege het aanbod van Le Figaro). Zo gezegd, zo gedaan: voor het eerst stelt Proust uit zijn schetsen een doorlopende, leesbare tekst samen, op basis waarvan direct twee typoscripten van die ‘eerste paragraaf’ worden gemaakt – nog altijd met ‘de ochtend’ in de openingszin. Titel: Combray. Het vervolg is bekend.

Print Friendly, PDF & Email