Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve, nawoord

Van essay tot megaroman

Lange tijd werd aangenomen dat Marcel Proust tussen 1896, het jaar waarin hij debuteerde met de bundel Les Plaisirs et les jours, en 1910, het jaar waarin hij zou zijn begonnen aan À la recherche du temps perdu, het luie leventje van een saletjonker leidde. Weliswaar vertaalde hij met hulp van zijn moeder en een Engelse vriendin twee omvangrijke studies van John Ruskin (La Bible d’Amiens en Sésame et les lys, respectievelijk verschenen in 1904 en 1906) en publiceerde hij regelmatig artikelen in Le Figaro en diverse tijdschriften, maar voor de buitenwereld wees niets erop dat hier een van zijn roeping bezeten jonge kunstenaar driftig op zoek was naar de vorm die hem uiteindelijk tot de grootste Franse schrijver van de twintigste eeuw zou maken.… > Lees verder

Pierre Bourdieu, De regels van de kunst (fragment)

‘De lyriek en het vulgaire’ willen ‘versmelten’ betekent het hoofd bieden aan de ondraaglijke en angstwekkende beproevingen van hen wier taak het is tegendelen met elkaar in botsing te brengen. De hele periode dat hij werkt aan Madame Bovary heeft Flaubert het onophoudelijk over zijn lijdensweg, die soms in regelrechte wanhoop verkeert. Hij vergelijkt zichzelf met een clown die een huzarenstukje aflevert en een ‘razende gymnastiek’ moet uitvoeren; hij verwijt de ‘smerige’, ‘vunzige’ materie hem het lyrische ‘brullen’ te beletten en hij wacht ongeduldig het moment af dat hij zich weer kan bezatten aan de schone stijl. Maar vooral zegt hij keer op keer dat hij eigenlijk niet weet wat hij doet, en ook niet wat het resultaat zal zijn van de tegennatuurlijke – in elk geval tegen zíjn natuur gerichte – inspanning die hij zichzelf oplegt.… > Lees verder