Joris-Karl Huysmans, Aan de vrouw, nawoord

‘Ik zit erg in mijn maag met mijn vervloekte roman,’ schrijft Joris-Karl Huysmans in 1881, kort voor het verschijnen van En ménage, aan zijn vriend Théodore Hannon. ‘Hij is zo anders, zo vreemd, zo intimistisch, hij staat zo ver af van alle ideeën van Zola, dat ik niet weet of ik niet afsteven op een faliekant fiasco. Het is een vrij nieuw soort naturalisme, geloof ik. Maar het platvloerse van het leven en de weerzin tegen het menselijk bestaan, daar moet het vermaledijde publiek misschien maar weinig van hebben.

> Lees verder

Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve, nawoord

Van essay tot megaroman

Lange tijd werd aangenomen dat Marcel Proust tussen 1896, het jaar waarin hij debuteerde met de bundel Les Plaisirs et les jours, en 1910, het jaar waarin hij zou zijn begonnen aan À la recherche du temps perdu, het luie leventje van een saletjonker leidde. Weliswaar vertaalde hij met hulp van zijn moeder en een Engelse vriendin twee omvangrijke studies van John Ruskin (La Bible d’Amiens en Sésame et les lys, respectievelijk verschenen in 1904 en 1906) en publiceerde hij regelmatig artikelen in Le Figaro en diverse tijdschriften, maar voor de buitenwereld wees niets erop dat hier een van zijn roeping bezeten jonge kunstenaar driftig op zoek was naar de vorm die hem uiteindelijk tot de grootste Franse schrijver van de twintigste eeuw zou maken.

> Lees verder