De ontsnapping uit het serail

Het zou een opera van Mozart of Rossini kunnen zijn. Ouverture met motiefjes alla turca, zodat we meteen weten waar we ons bevinden. Eerste bedrijf. Een knappe jonge edelman, gevangengenomen door het Turkse leger en als slaaf verkocht aan een vrekkige Ottomaanse heer, beklaagt zich luidkeels over zijn situatie. Maar halverwege zijn lange aria gaat de toonsoort over van mineur naar majeur, want onze held heeft één grote troost: hij is verliefd op de dochter van zijn meester en zij op hem, en hij hoopt op een dag samen met haar te kunnen vluchten. In een volgend tafereel zien we de slaaf met zijn meester, die een groot vertrouwen in hem heeft en hem wil belasten met een belangrijke taak – het vervolg is bekend. Tweede bedrijf. Eindeloos gehannes omdat de geplande ontsnapping maar niet wil lukken. De kluchtige kant van het drama wordt steeds sterker aangezet: verkleedpartijen, persoonsverwisselingen, gekruip en geklauter, een gouverneur die zich letterlijk doodschrikt bij het zien van een baard, een achtervolging waarbij de achtervolgers de voortvluchtigen onbedoeld naar hun bestemming escorteren, en dan nog eenmaal de paniek, wanneer namaak-Turken gewapend met kromzwaarden het buitenhuis van de tortelduifjes binnenstormen. Groots, feestelijk slotkoor.

Opera’s, toneelstukken en romans met een oosterse setting waren schering en inslag in het achttiende-eeuwse Europa, dat via de Franse vertaling van Antoine Galland net de zwoele vertellingen van Duizend-en-één-nacht had ontdekt. De bekendste opera is natuurlijk Mozarts Die Entführung aus dem Serail uit 1782, waarvan het tamelijk zwakke libretto van Johann Gottlieb Stephanie overigens schaamteloos het zangspel Belmonte und Konstanze, oder die Entführung aus dem Serail van Christoph Friedrich Brettner plagieert, dat in 1781 al op muziek was gezet door Johann André: het thema was populair. In de Franse literatuur springen drie titels eruit: de Lettres persanes van Montesquieu (1721), Le Sopha van Crébillon fils (1742) en Les Bijoux indiscrets van Diderot (1748). Uit die drie boeken blijkt al dat de redenen voor het gebruik van de exotische setting sterk uiteenliepen. Montesquieu houdt zijn tijdgenoten via de blik van zijn fictieve Perzen een kritische spiegel voor, Crébillon geeft zich over aan de beschrijving van wellustige tafereeltjes, Diderot parodieert de libertijn Crébillon en laat zijn personages er ondertussen lustig op los filosoferen over alle mogelijke onderwerpen. Mozart en zijn librettist, die hun opera in opdracht van keizer Joseph II schreven ter bevordering van het Nationalsingspiel, hadden nog een andere reden om Turkije als plaats van handeling te nemen, namelijk de eeuwenlange strijd tussen het Habsburgse en het Ottomaanse rijk (in 1683 stonden de Turken nog voor de poorten van Wenen); behalve als pikant-exotische publiekstrekker moet Die Entführung zeker ook worden gezien als anti-Turkse overheidspropaganda, getuige bijvoorbeeld de rolverdeling tussen de twee belangrijkste Turkse personages: de ex-christen Selim blijkt als moslim-tegen-wil-en-dank een humane, verlichte geest, de ‘echte’ moslim Osmin is het prototype van de slechterik. Het basisgegeven van het verhaaltje – drie beschaafde christenen die door de Turken gevangen zijn genomen en als slaaf verkocht – stelt het land van handeling al evenmin in een erg positief daglicht. Christelijk Europa was zelf ook volop verwikkeld in de slavenhandel, maar het verschil was evident: zwarte mensen waren geen mensen.

Opvallend in al die oosterse tafereeltjes is hoe weinig moeite de auteurs doen om een realistisch beeld van de vreemde cultuur te geven. Turken zijn lieden met harems en rare jurken, meer niet. Die stereotiepe weergave is niet alleen een kwestie van onwetendheid, maar vooral ook van literaire conventie: net als de ‘goede wilde’ is de oosterling met zijn harem (een serail kan overigens ook gewoon een paleis zijn) een typisch achttiende-eeuwse gemeenplaats, die heel weinig met de werkelijkheid en heel veel met de verbeelding te maken heeft. Ook in deze Memoires van een Turkse dame van de auteur van Manon Lescaut komen we weinig aan de weet over de zeden en gewoonten van de streek waar het grootste deel van het verhaal zich afspeelt – met één belangrijke uitzondering: ‘Omdat de vrouwen van de Turken in Bulgarije enig profijt trekken van het nabuurschap van de christenen, zijn ze veel minder aan banden gelegd dan in Turkije zelf,’ zegt Prévost. En: ‘Er zijn vele rijke Turken die doen alsof ze de mohammedaanse striktheid soms wat laten varen, om hun buren duidelijk te maken dat beleefdheid en gemeenschapszin voor hen geen onbekende waarden zijn.’ Of dat historisch gezien juist is, valt nog te bezien (zouden de christenen aan de andere kant van de grens ook hebben gedaan alsof ze hun katholieke striktheid wat lieten varen?), maar voor het vervolg van het verhaal komt het goed uit, en vooral het soort opmerking is interessant: Prévost mag zijn antropologische observaties dan misschien uit zijn duim hebben gezogen, hij máákt ze in elk geval, en geeft daarmee een heel andere, ogenschijnlijk realistische status aan zijn tekst.

Zoals zoveel achttiende-eeuwse literatuur is het verhaal ingeraamd in een kader dat garant lijkt te moeten staan voor de realiteitswaarde van het vertelde – lijkt, want ook dat kader is doorgaans niet meer dan een conventie: hoe harder je roept dat je alleen maar de inhoud weergeeft van een tekst die je toevallig ergens hebt gevonden of gelezen, hoe minder geloofwaardig het klinkt. Maar bij Prévost werkt het anders. Memoires van een Turkse dame verscheen in 1737 in twee afleveringen van zijn privétijdschrift Le Pour et le Contre, waarin hij op losse toon verslag deed van de meest uiteenlopende zaken op het gebied van kunst, wetenschap en samenleving. Deze razende reporter interesseerde zich voor alles wat maar inzicht kon geven in de grillige menselijke natuur, en de grens tussen waarheid en verdichting valt in zijn verslagen vaak niet te trekken. Zo ook hier. De mededeling over de Engelse tijdschriften die een bekorte versie van Plomby’s relaas hebben gegeven omdat de integrale tekst van haar memoires niet interessant genoeg was, de verwijzing naar het commentaar van de Engelse vertaler, de expliciete vermelding van bepaalde inkortingen, de opmerking over de Boheemse attenties die ‘op zichzelf al een aardig artikel zouden vormen’: het draagt allemaal bij tot de geloofwaardigheid van het verhaal. En het inspireert Prévost tot die heerlijk brutale, door en door ironische slotzin: ‘Wie zou, na zoveel verwikkelingen, durven denken dat Plomby maar een voortbrengsel van de verbeelding is, en haar avonturen een roman?’

Een kluchtig operascenario zo vertellen dat het echt gebeurd lijkt. Je moet het maar kunnen.

[Nawoord bij Abbé Prévost, Memoires van een Turkse dame, vert. Tatjana Daan. Voetnoot, Perlouses 18, 2008.]

Print Friendly, PDF & Email