Lezen met een Perzisch oog

Wat de jaren zestig waren voor de twintigste eeuw, was de Régence voor de Franse achttiende eeuw. Lodewijk XIV, de strenge despoot die van 1643 tot 1715 had geheerst, lag nog maar koud in het graf of alles zoop en naaide, heel Frankrijk was één groot matras. Het leek alsof alle oude zeventiende-eeuwse waarden in één klap waren weggevaagd: godsvrucht was ineens passé, atheïsme in de mode, autoriteit uit den boze en vrijheid (van geest en van zeden) bon ton.

Het regentschap van Philippe d’Orléans duurde niet langer dan acht jaar, maar de geest was uit de fles. Veel van wat de Franse achttiende eeuw voor ons belichaamt – zwierigheid, lichtheid, vrijheidsdrang, anti-absolutisme, intellectuele durf – is een rechtstreeks uitvloeisel van de gezagscrisis die na de dood van de Zonnekoning uitbrak; het werk van iemand als Voltaire valt niet goed te begrijpen zonder enig benul van de ‘aimable Régence’ waarin hij debuteerde. Zijn eerste pennenvruchten deden hem overigens prompt in de Bastille belanden: zo vrij was Frankrijk. Achteraf bedankte hij de Regent persoonlijk voor de genoten spijzen, maar verzocht Zijne Hoogheid tevens zich voortaan niet meer met zijn huisvesting te bemoeien.

Niet iedereen was tijdens de Régence zo vrijpostig als Voltaire, maar veel schrijvers achtten het toch raadzaam hun werken anoniem in het buitenland te publiceren om een verbod of erger te voorkomen. Zo ook de vermetele geest die in 1721 een verzameling Perzische brieven deed verschijnen, en wel bij de even vermaarde als fictieve uitgever Pierre Marteau te Keulen, achter wie dit keer hoogstwaarschijnlijk de Amsterdamse hugenoot Jacques Desbordes schuilging. Door het enorme succes van de Perzische brieven lekte algauw de naam van de auteur uit: Charles-Louis de Secondat, baron van La Brède et van Montesquieu, een jonge edelman uit de buurt van Bordeaux, was op slag een beroemdheid.

Voor de lezer van nu is het moeilijk voorstelbaar dat de Perzische brieven zoveel stof deden opwaaien. In het tijdperk van Rita en Geert kijken we nergens meer van op, en al helemaal niet van een zootje gefingeerde brieven van een paar islamieten die zo nodig naar Europa moesten komen om hun kennis van de wereld op te krikken. Weliswaar bevat het boek een aantal aardige haremtafereeltjes, maar daarin wordt alles aan onze eigen verbeelding overgelaten; zelfs van de lesbische scènes zal niemand meer warm of koud worden. En toch was juist die harem ongetwijfeld de voornaamste reden van de stormloop die op de brieven ontstond. Montesquieu hield er een reputatie van lichtzinnigheid aan over, die hem later nog wel eens dwars zou zitten.

Het schokeffect is dus verloren gegaan. Kunnen we de Perzische brieven dan maar beter bij het oud papier leggen en ons richten op de literaire actualiteit? Montesquieu zou het antwoord wel weten: ‘De grote fout die journalisten maken, is dat ze alleen schrijven over nieuwe boeken; alsof de waarheid ooit nieuw zou zijn.’ Actueler kan niet, zou je zeggen. Zelfs het stuk dat u nu leest onttrekt zich niet aan de kritiek, want zonder concrete journalistieke aanleiding (de verschijning van de Perzische brieven in een nieuwe vertaling van Jeanne Holierhoek) zou het nooit geschreven zijn – ten onrechte dus, volgens Montesquieu zelf, die vervolgt: ‘Totdat iemand alle oude boeken heeft gelezen, heeft hij in mijn opvatting geen enkele reden om de voorkeur te geven aan nieuwe.’

Alle oude boeken, dat waren er ook in de vroege achttiende eeuw al heel wat. In plaats van de auteur voor gek te verklaren kunnen we er dan ook maar beter van uitgaan dat hier sprake is van ironie. De uitspraak wordt tenslotte in de mond van de Perzische edelman Usbek gelegd, die wel vaker een beetje overdrijft met zijn moraliserende oordelen. Toch zijn die twee onmiddellijk op elkaar volgende zinnen opmerkelijk, en kenmerkend voor de subtiele strategie van Montesquieu: met de eerste zin neemt hij tal van lezers voor zich in, met de tweede vervreemdt hij ze weer van zich door zijn eigen stelling tot het belachelijke toe te overdrijven. Het is wat de Fransen tegenwoordig le second degré noemen: de tekst beweert en relativeert tegelijk.

Montesquieu is zeker niet de eerste Franse schrijver die een dergelijke strategie heeft toegepast (Rabelais kon er ook wat van), maar waarschijnlijk wel de eerste die heeft beseft hoe goed het genre van de briefroman zich ervoor leent. Een mooi voorbeeld vormen de brieven 105 en 106, van Radi in Venetië aan Usbek in Parijs en terug. Radi berijdt in zijn brief een stokpaardje dat van alle tijden is: het gevaar van wetenschap en techniek. Met veel overtuigingskracht betoogt hij dat de vooruitgang de mensheid alleen maar meer ellende zal opleveren. ‘Ik ben er voortdurend voor beducht dat men op den duur een geheim zal ontdekken dat een snellere methode biedt om mensen te doden, om volken en hele landen te vernietigen,’ schrijft deze Pers profetisch.

Zijn landgenoot Usbek weet wel beter. In een al even gloedvolle uiteenzetting wijst hij zijn correspondent erop dat wetenschap en techniek de mens juist van de barbaarsheid hebben bevrijd. Soms is techniek inderdaad schadelijk, maar dat is er geen wezenskenmerk van, hooguit een bijverschijnsel – collateral damage, zouden wij zeggen. En, zo vervolgt Usbek, door de techniek worden oorlogen steeds korter en schoner: ‘Als je de geschiedenisboeken leest, zal je zijn opgevallen dat sinds de uitvinding van het buskruit veldslagen veel minder bloedig verlopen, omdat er bijna geen gevechten meer zijn van man tegen man.’

Wie van beiden heeft gelijk? In het boek wordt de knoop niet doorgehakt. Montesquieu laat de twee meningen rustig naast elkaar staan en dringt ons geen keuze op: de dialoog is geen pseudo-literair instrument om de lezer een eeuwige, onveranderlijke waarheid in te peperen, zoals bij Plato en zijn navolgers het geval was, maar een uitwisseling van ideeën tussen twee concrete, subjectieve individuen. Die typisch literaire meerstemmigheid maakt de Perzische brieven nog geen boek van nu, maar toch in elk geval een boek waaraan wat te beleven valt. De oosterse exotiek mag dan haar kracht hebben verloren (voor ons is een harem minder vreemd dan het Frankrijk dat Montesquieus Perzen beschrijven: in zekere zin lezen wij met een Perzisch oog), de tekst als zodanig heeft dat zeker niet.

Montesquieu was geen relativist. In zijn imposante hoofdwerk, Over de geest der wetten (1748), laat hij weliswaar zien dat wetten worden gedicteerd door geografische, sociale en politieke omstandigheden, maar de hoeksteen van zijn systeem wordt toch nog altijd gevormd door twee eeuwige, onveranderlijke waarden: natuur en rechtvaardigheid. Zijn enige literaire meesterwerk, de Perzische brieven, geeft door zijn vorm een heel andere, veel actuelere boodschap: geloof hartstochtelijk in de waarheid, maar weet dat de ander dat ook doet. Dát is relativisme.

  • Charles-Louis de Montesquieu, Perzische brieven, vertaald uit het Frans door Jeanne Holierhoek. Wereldbibliotheek, 2002.

[de Volkskrant, 30 augustus 2002, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email