De Heilige Koe van de standaardtaal

Met het onderwerp van deze lezing, ‘Vlaams-Nederlandse vertaalkwesties’, kun je alle kanten op, en aanvankelijk was dat ook min of meer de bedoeling: ik stelde me voor dat ik een aantal vrijblijvende beschouwingen ten beste zou geven over het vertalen in Vlaanderen en Nederland, voor een deel gebaseerd op mijn eigen ervaringen als Nederbelg. Maar toen ik dit praatje daadwerkelijk begon voor te bereiden leek het me interessanter om alle academische distantie te laten varen en om de tijd die mij hier is gegund te gebruiken voor het innemen van een provocatieve, polemisch bedoelde stelling – niet omdat ik de waarheid in pacht meen te hebben maar omdat ik discussie hoop uit te lokken.

Mijn betoog valt in twee delen uiteen. Eerst zal ik het hebben over hoe het is, daarna over hoe het zou moeten zijn, eerst over de realiteit van de standaardtaal, daarna over de houding die je er als vertaler tegenover zou kunnen of moeten innemen.

Het vraagstuk van de standaardtaal, het Standaardnederlands, is nooit ver weg wanneer vertalers spreken over de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen. De tucht van het Standaardnederlands, daaronder gaan wij allemaal, Vlamingen en Nederlanders, gebukt. En al moeten sommigen van ons dieper bukken dan anderen, niemand kan zich onttrekken aan de norm, op straffe van excommunicatie. De taalnorm van het Standaardnederlands is niet neutraal, het is de stolling van een dominante taalvorm, het ‘Hollands’, en er kleeft een element van willekeur aan. Dat laatste geldt voor elke taalnorm. Van belang is hier dat de norm van het Standaardnederlands in gelijke mate opgaat voor alle Nederlandstaligen, zoals het een norm betaamt.

Twee voorbehouden.

  1. Alles wat ik hier zeg is uitsluitend van toepassing op schrijftaal, niet op spreektaal. Op het gebied van de spreektaal is de situatie diametraal tegengesteld: daar lijkt het bestaan van één enkele norm juist steeds minder evident, en zien we eerder het uiteendrijven van Nederlandse en ‘Vlaamse’ taalvarianten.
  2. Het woord ‘Vlaams’ wordt hier gebruikt bij gebrek aan beter. De logische tegenhanger van ‘Vlaams’ is ‘Hollands’, een beperkt bruikbare term; het door de Taalunie gebezigde ‘Belgisch-Nederlands’ lijkt evengoed twijfelachtig, en bovendien onbevredigend voor Vlamingen (van wie de meesten zich alleen in een verre uithoek van hun identiteit nog ‘Belg’ voelen); het onderscheid Zuidnederlands-Noordnederlands kan dan weer verwarrend overkomen – want waartoe behoren Brabants en Limburgs?

Ik wil niet te lang stilstaan bij de factoren die een rol hebben gespeeld bij de historische wording van het Standaardnederlands zoals we dat tegenwoordig kennen, en bij de sociale en economische factoren die die norm schragen. Ik denk dat ze in grote lijnen bekend mogen worden verondersteld: de gescheiden ontwikkeling van Nederland en Vlaanderen sinds de 16e eeuw; en heden ten dage, de drievoudige dominantie van Nederland in het literaire veld:

  1. als bakermat van het Algemeen Beschaafd Nederlands, waardoor het ‘Hollands’ zich heeft ontpopt als de ‘legitieme taal’;
  2. als geografisch centrum van het Nederlandstalige uitgeefwezen;
  3. als grootste afzetmarkt voor Nederlandstalige literatuur. Het resultaat van dit alles ligt vervat in de titel van deze Vertaaldagen: in de literatuur zijn Vlaamse vertalers ‘vreemden in eigen taal’.

Om de realiteit van de vertaalrelaties tussen Nederland en Vlaanderen te beschrijven is het centrum-periferiemodel goed bruikbaar. Met dien verstande dat we rekening houden met een aantal beperkingen.

  1. Het centrum-periferiemodel is situatiegebonden. Het geldt dus alleen op het vlak van de schrijftaal, niet op de spreektaal; binnen de kunstdisciplines geldt het alleen op vlak van de literatuur, niet voor theater en dans, waarin Nederland eerder de periferie van Vlaanderen vormt; ook binnen de vertaalwetenschap vormt Nederland eerder de periferie ten opzichte van het op dat front zeer actieve Vlaanderen.
  2. Het centrum-periferiemodel beschrijft een relatie, niet een essentie. Veel mensen zijn geneigd om te denken dat ‘periferie’ een denigrerende bijklank heeft, en associëren het met het begrip ‘marge’, maar dat lijkt me ten onrechte. In mijn ogen is de periferie eerder positief geconnoteerd. De periferie is vaak de bakermat van vernieuwing (cf. het geval van Louis Paul Boon, misschien wel de meest vernieuwende twintigste-eeuwse Nederlandstalige prozaïst). Als je het relationele karakter van het centrum-periferiemodel benadrukt, zie je dat de werkelijkheid vanuit het centrum anders oogt dan vanuit de periferie, een beetje zoals de subjectieve afstand van Amsterdam naar Groningen groter is dan andersom. Vandaar ook dat de culturele kloof tussen Nederland en Vlaanderen in Nederland heel anders wordt beleefd dan in België; de Hollander is voor de Vlaming wat de Duitser nog steeds voor de Hollander is.
  3. Het centrum-periferiemodel is, omdat het geen essenties beschrijft, veranderlijk. In de dertiende eeuw bijvoorbeeld vormde Vlaanderen, met de Gentenaar ‘Willem die Madocke maakte’ en de Bruggeling Jacob van Maerlant, het literaire centrum en Nederland de periferie. Zowel Willem als Jacob waren vertalers, maar dat terzijde.

Tot zover de realiteit waarbinnen de norm van het Standaardnederlands gestalte heeft gekregen. Ik wil nu ingaan op de houding die je als vertaler tegenover die norm zou kunnen of moeten innemen. Uiteraard behoeft elke geschreven taal een zekere codificering, een zekere standaardisering. Daarom zou het van donquichotterie getuigen om te denken dat de dominantie van het Standaardnederlands met beleidsmaatregelen en goede wil doeltreffend zou kunnen worden bestreden. Alleen economische prikkels zouden aan die dominantie iets kunnen afdoen, bijvoorbeeld de ontwikkeling van een serieuze infrastructuur van Vlaamse uitgevers, waardoor taalvariëteiten ook in drukvorm een grotere bestaanskans zouden krijgen, en het monopolie van de legitieme taal minder Hollands zou worden – maar de kans daartoe lijkt kleiner dan ooit.

Mij gaat het om de literaire legitimiteit van de norm. In de vertaalpraktijk speelt een heel scala aan criteria een rol, pragmatische overwegingen (tegemoet komen aan de desiderata van uitgevers of redacteuren, de doelgroep, de ‘leesbaarheid’ van de vertaling), en artistieke overwegingen (tegemoet komen aan het timbre, het ritme, de eigenheid van het origineel). Vertalers maken bewust of onbewust voortdurend keuzen waarbij die verschillende criteria een rol spelen, en verhouden zich al doende willens nillens tot de taalnorm. Wat ik aannemelijk wil maken is dat vertalers zich niet klakkeloos achter de norm kunnen verschuilen, dat ze niet kunnen volstaan met blinde onderwerping aan de standaardtaal.

Ik wil de Heilige Koe van de standaardtaal dus bij de horens vatten en verdedig drie onderling samenhangende stellingen.

  1. Niet het Standaardnederlands, maar argwaan jegens het Standaardnederlands zou voor vertalers de norm moeten zijn.
  2. Vlaamse vertalers hebben, net als Nederlandse, het volste recht zich te onttrekken aan de kadavergehoorzaamheid die het Standaardnederlands van hen lijkt te eisen.
  3. Het Vlaamse minderwaardigheidscomplex is de volmaakte tegenhanger van een Nederlandse superioriteitswaan.

Eigenlijk komen deze drie stellingen neer op één enkel, simpel motto: literatuur gedijt niet bij standaardisering, en daarom is het Standaardnederlands de vijand van de literatuur. Voor alle duidelijkheid: ik stel niet het bestaan van de norm als zodanig aan de kaak, maar wel het effect ervan op de habitus van vertalers. Mijn uitgangspunt is dat een kritische houding tegenover het Standaardnederlands behoort tot het basispakket van elke goede vertaler. Het eigene van goede literatuur ligt immers juist vaak in de mate waarin ze afwijkt, in het vermogen van schrijvers om te wrikken aan de taal, om de verwachtingspatronen van de lezer te doorbreken, om gebruik te maken van andere lexica dan alleen die van de beschaafde schrijftaal. Daarom moet wantrouwen tegen de eigen moedertaalreflexen worden beschouwd een eerste vereiste voor het maken van een goede vertaling.

ad 1) Niet het behoud of de verdediging van het Standaardnederlands zou de preoccupatie van vertalers moeten zijn, maar het behoud en de verdediging van de literatuur – haar rijkdom, haar veelzijdigheid, haar toegankelijkheid of desgewenst haar ontoegankelijkheid. Waarbij ik opmerk dat die bij Vlamingen weleens in betere handen zou kunnen zijn dan bij Nederlanders. Vlamingen hebben het voorrecht dat bij hen, juist vanwege hun perifere positie in het literaire bestel, het gesproken en geschreven idioom veel sterker uiteenlopen dan bij Nederlanders het geval is. Bij Vlamingen is het eerdergenoemde ‘wantrouwen tegen de moedertaalreflexen’ hun als het ware ingeschapen. Terwijl Nederlanders altijd blootstaan aan het gevaar dat de geschreven norm een simpele extrapolatie is van de taal die ze spreken, waarmee van de weeromstuit die geschreven taal blootstaat aan verschralingsrisico’s.

ad 2) Je ‘onttrekken aan kadavergehoorzaamheid’ impliceert dat je die gehoorzaamheid kunt opbrengen; je kunt pas van een regel afwijken als je de regel kent. Het impliceert dus ook dat Vlaamse vertalers hun schrijftaal zodanig beheersen dat ze de aanvankelijke achterstand hebben ingehaald die ze op dat punt mogelijk hebben, dat ze een vorm van ‘innerlijke meertaligheid’ hebben bereikt. Het betekent ten slotte dat ze geen sentimentele waarde hechten aan zinsconstructies die als typisch Vlaams te boek staan alleen omdát ze als typisch Vlaams te boek staan – zolang ze voor Nederlandse uitgevers willen werken, en zolang ze tenminste in hun vertaling niet juist met afwijkend regionaal idioom of dialect te maken hebben.

ad 3) Het minderwaardigheidscomplex van Vlamingen is een belangrijk pijnpunt in de verhouding van Vlaamse vertalers tot hun taal. Die minderwaardigheidsgevoelens tekenen niet alleen de eigen subjectieve relatie van Vlaamse vertalers tot hun taal, maar worden hun ook keer op keer door anderen ingepeperd als een objectieve waarheid. Ook hier weer geldt een verschil tussen spreektaal en schrijftaal. Veel Nederlanders zijn geneigd vertederd maar ook neerbuigend te glimlachen als ze het grappige, sappige taaltje van de Belgen horen, maar op het gebied van de schrijftaal worden Vlamingen vooral geconfronteerd met de keerzijde van de medaille. Ik denk hier natuurlijk in de eerste plaats aan de redacteurs en persklaarmakers wier taak het is Vlaamse vertalers van kritisch begeleidend commentaar te voorzien. Niet gehinderd door kennis verheffen deze maar al te vaak hun eigen randstedelijke idioom tot enigzaligmakende norm. Bovendien lijden ze maar al te vaak aan het vooroordeel dat de doorsneelezer te dom is om afwijkingen van de standaardtaal te begrijpen. Over culturele zelfgenoegzaamheid gesproken: hoeveel Nederlandse vertalers staan ook maar een seconde stil bij de Hollandse, of zelfs Amsterdamse, kleuring van hun taalgebruik, en hoevelen zijn geneigd elk woord of elke uitdrukking die ze niet onmiddellijk kunnen thuisbrengen te zien als een inbreuk op Goed Nederlands?

We moeten opkomen voor het auteursrecht van elke vertaler, Vlaams of niet-Vlaams, perifeer of centraal. Dat auteursrecht behelst het recht om af te wijken van de standaardtaal als daarvoor in de te vertalen tekst goede gronden zijn aan te wijzen, en de plicht om de artistieke verantwoordelijkheid voor de in de vertaling gemaakte keuzes niet af te wentelen op een in den blinde gevolgde taalnorm. Bijkomend voordeel van zo’n kritische grondhouding is dat Nederlandse en Vlaamse vertalers elkaar daarin zouden kunnen vinden; de asymmetrische relaties die ze elders mogelijk nog onderhouden spelen dan geen rol meer. Tegen het dogma van het Standaardnederlands zouden kortom alle vertalers, niet alleen Vlaamse, zich moeten weren.

Nederlandse vertalers zou ik willen suggereren vaker het werk van Vlamingen te lezen, auteurs of vertalers, dat zou hun taalgevoel geen kwaad doen, en ze zouden zo beter gewapend zijn tegen de ergste uitwassen van Hollandse hoogmoed. Vlaamse vertalers zou ik willen oproepen de kwaliteiten waarvan ze vinden dat die over de grens niet genoeg worden gewaardeerd meer te laten gelden, en hun eventuele minderwaardigheidsgevoelens met slaande argumenten van zich af te werpen.

[Lezing uitgesproken op de Literaire Vertaaldagen op 12 december 2007, Utrecht, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email