State of Translation 2020: de vertaler als auteur

De State of Translation is bedoeld om één keer per jaar te kijken hoe de zaken ervoor staan in wat in de volksmond Vertalië wordt genoemd. Welnu, something’s rotten in the State of Translation.

‘De vertaler als auteur’, dat klinkt radicaler dan het is. Volgens de Berner Conventie, het verdrag uit 1886 dat nog altijd de basis van het auteursrecht vormt, worden vertalingen beschermd als oorspronkelijke werken – niet alsof het oorspronkelijke werken waren, maar in de hoedanigheid van oorspronkelijke werken.

> Lees verder

De boekvertaler: mens én auteur

We lezen tegenwoordig veel over de sociaal-economische situatie van verschillende categorieën zelfstandigen. Met schrijvers en freelance journalisten is het niet al te best gesteld, maar hoe zit het met de vertalers van de buitenlandse boeken die we lezen? Martin de Haan, zelf vertaler, geeft een rondleiding door de catacomben van zijn beroep. 

Zomaar een informatiekraampje op zomaar een boekenbeurs, een jaar of tien geleden. Achter de tentoongestelde boeken, allemaal vertalingen, staan een paar vriendelijke vrijwilligers de bezoekers te woord. En dan valt die ene, oprecht verbaasde vraag, die diezelfde dag nog een paar keer zou langskomen: ‘Dus boeken worden nog altijd door mensen vertaald?’

> Lees verder

‘Een goed boek overleeft de vertaling’

Het blijft fascinerend om te zien hoe de grootste dooddoeners over vertalen circuleren onder mensen van wie je zou denken dat ze beroepshalve goed geplaatst zijn om beter te weten.

Want wat is vertalen? Vertalen is schrijven.

Schrijven, die activiteit hebben vertalers gemeen met een andere categorie auteurs die de schrijfkunst beoefenen: schrijvers. Desalniettemin kom je veelvuldig, ook bij schrijvers, dat wil zeggen bij kenners van de literatuur, bij beroepslezers, de gemakzuchtigste gemeenplaatsen over het vertalen tegen – doorgaans weinig doeltreffende schaamlapjes voor wat niet anders dan structurele minachting kan heten.

> Lees verder

Joris-Karl Huysmans, Aan de vrouw (fragment)

(…) Hij had honger. Door de vermoeidheid en het lopen waren de scherpe kantjes als het ware van zijn zorgen afgesleten. Zijn humeur was al bijna vrolijk toen hij een kleine tapperij in het oog kreeg, waar achter het uitstalraam een op brandewijn gezette meloen stond op te zwellen.

Rijen flessen met loden capsules op hun kop en fonkelende sterren midden op hun buik vormden een halve cirkel rond twee lagen gekneusde bolle schimmelkaasjes, schotels koud rundvlees in vinaigrettesaus en opgestijfde knollenragouts, baksels met zwarte brandplakken, uitlubberend over hun gele modder.

> Lees verder

Michel Leiris, “Kijk! Daar, de engel…” (fragment)

‘En kri, mijne heren! (‘En kri!’ herhaalt het gezelschap in koor). En kra! (Het koor herhaalt: ‘En kra!’)’

De man door wie deze woorden zangerig werden uitgesproken, was een hindoe die werkte als voorman bij de grote blanke rumstoker van de streek. Een en ander speelde zich af in Le Gros-Morne, waar ik met een vriend uit Martinique de dodenwake voor zijn oude min bijwoonde.

‘En kri! En kra!’ – de traditionele openingsformule van het verhaal dat de hindoe op het punt stond ten beste te geven, ter verstrooiing van het gezelschap dat op de binnenplaats van het huis bijeen was gekomen voor de wake: het verhaal van het dunne meisje, dun ‘als de e-snaar op een mandoline’, zei de hindoe, een kenner (naar het scheen) van de orale creoolse
literatuur.

> Lees verder

Simon Johannin, ‘De zomer van het aas’ (fragment)

(…)

Niet lang na Pedra belandde er een ander bij ons, bij hem stond er een enorme FUCK LES POLICES dwars op zijn rug getatoeëerd. Hij heette Cali.
‘Die Cali is blond als een Zuidzeevaarder’, zei mijn moeder toen ze hem zag, en het was waar, hij zag er goed uit. Ontzettend mooi zelfs met zijn rotte tanden. De dochter van een van de boerderijen van boven had hem opgepikt langs de kant van de weg niet ver van de Leclerc-supermarkt toen ze eens naar de stad was gegaan om benzine, tabak en bier te gaan halen.

> Lees verder