De klaagzang van de vertaler

Bij toeval stuit ik bij Bol.com op een klantenrecensie van Maarten Steenmeijers boek over het vertalen van literatuur, Schrijven als een ander (Wereldbibliotheek, 2015). De klant in kwestie, Hettie Marzak, die onder andere ook recenseert voor Literair Nederland, besluit haar betoogje met de volgende constatering:

Steenmeijer geeft interessante feiten en meningen weer en het boek leest heerlijk. Vooral ook alle ‘even’ verhalen over bekende schrijvers weet hij boeiend te brengen. Maar gaandeweg begin ik me te ergeren aan zijn voortdurende gebedel om erkenning van literaire vertalers en de klaagzang over het gebrek daaraan, die volgens mij niet terecht zijn. Steenmeijer wil het liefst zijn naam gedrukt zien als co-auteur, omdat je volgens hem als vertaler het boek helemaal opnieuw schrijft. Maar het concept en de uitwerking daarvan zijn toch ontsproten aan de fantasie van een ander, en daardoor vind ik zijn pleidooi nogal absurd. Bij alle citaten die Steenmeijer aanhaalt is hij er één vergeten, van Komrij, toch niet de minste onder de vertalers: ‘Zodra een vertaler een opdracht heeft aanvaard is hij de knecht en voetenwasser van de auteur, en niet een van God gezonden herschepper.’

Retorisch heel slim. Eerst doen alsof het een kwestie van individuele ijdelheid is (‘Steenmeijer wil het liefst zijn naam gedrukt zien als co-auteur’ – wat een verwaande kwast!). Dan de absurditeit van de claim onderstrepen (arme Maarten, hoe kon hij toch zijn vergeten dat het concept en de uitwerking zijn ontsproten aan de fantasie van een ander!). En tot slot natuurlijk het dodelijke citaat, nota bene uit de mond van een Groot Vertaler (hier nog meer van dat soort pareltjes), dus daar valt geen speld tussen te krijgen.

Het leuke én gevaarlijke van retorica is dat alles draait om de vorm van de argumentatie, een vorm die je heel makkelijk kunt vullen met een nieuwe inhoud. Zo bijvoorbeeld:

Pianist X wil het liefst zijn naam op het cd-hoesje gedrukt zien als medeschepper van het werk, omdat je volgens hem als musicus het stuk helemaal opnieuw maakt. Maar het concept en de uitwerking daarvan zijn toch ontsproten aan de fantasie van een ander, en daardoor vind ik zijn pleidooi nogal absurd. Bij alle citaten die X aanhaalt is hij er één vergeten, van Sviatoslav Richter, toch niet de minste onder de musici: ‘De vertolker is echt een uitvoerder, die de bedoelingen van de componist naar de letter volgt. Hij voegt niets toe dat niet al in het werk zit.’

Dat schiet op!  Vervang ‘musicus’ of ‘vertaler’ door ‘slaaf’, en je hebt een  gloedvol pleidooi voor slavernij.

Daarmee is eigenlijk alles wel gezegd. Wie toch al dezelfde mening als Marzak toegedaan was, zal haar argumenten waarschijnlijk ‘overtuigend’ vinden. Wie daarentegen vindt dat vertalers inderdaad co-auteurs zijn, zoals bijvoorbeeld de opstellers van de Berner Conventie (waarin vertalingen als oorspronkelijke werken worden gezien), kan er alleen maar smakelijk om huilen.

Print Friendly, PDF & Email

Eén gedachte over “De klaagzang van de vertaler”

  1. Een terecht commentaar van Martin de Haan: natúúrlijk is een vertaler ook scheppend kunstenaar. Vrij naar Fromm is vertalen ‘een kunst, een kunde’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *