Paul Huigsloot (1952-2013)

‘Thomas trachtte zich los te maken uit de kleurloze vloed die hem overweldigde. Een felle kou verlamde zijn armen. Het water draaide kolkend rond. Was dit werkelijk water? Nu eens dwarrelde het schuim als wittige vlokken voor zijn ogen, dan weer greep de afwezigheid van water zijn lichaam beet en sleurde het heftig mee. Hij ademde trager, een moment lang hield hij de vloeistof binnen die de windvlagen hem tegen het hoofd joegen: een lauwe zachtheid, een vreemd brouwsel in een van smaak beroofde mond. Vervolgens gaven zijn ledematen, van vermoeidheid of om een onbekende reden, hem dezelfde gewaarwording van vreemdheid als het water waarin ze rondbewogen.

> Lees verder