Ethal, Claudius

Brits schilder en verzamelaar (†Parijs, 16 mei 1899). Eind 19de eeuw was Ethal de favoriete portretschilder van de Londense aristocratie; in mondaine kringen gold hij als arbiter elegantiarum en zijn reputatie reikte tot Parijs, Wenen en New York. Hij werd ge•nspireerd door het werk van Hogarth, Reynolds, Goya, Rops, Burne-Jones, Khnopff en Toorop, maar zijn grootste fascinatie gold Gustave Moreau. Met James Whistler en James Ensor onderhield hij persoonlijke betrekkingen. Hij bezat een rijke verzameling maskers, uitheemse vergiften, afrodisiaca en narcotica, en zijn besloten opiumfeesten waren berucht in de artistieke society. Hij zocht het gezelschap van lesbiennes en pederasten, straatprostituees en criminelen; de mooiste blikken vond hij in bedelaarsogen. Over hem werd gezegd dat hij ‘een neus had voor de zonde zoals een everzwijn voor truffels’. Ethals decadente versie van het symbolisme mag karakteristiek heten voor het fin de siècle: kenmerkend in zijn portretten zijn het vernuftige gebruik van het clair-obscur en de morbide hang naar het ziekelijke, het sterfelijke, het verderfelijke.

In 1898, na een geruchtmakend proces, aangespannen door Lord Kerneby, ontvluchtte Ethal Londen en vestigde hij zich in Parijs. Op een portret van markiezin Eddy Kerneby had hij haar broze gratie willen accentueren door haar ziekelijkheid – ze leed aan tuberculose – enigszins te overdrijven. Lord Kerneby had geweigerd het portret te betalen en een aanklacht tegen hem ingediend. Het proces moet echter ook worden gezien in het licht van tal van andere affaires die Ethals talent voor mystificatie hem her en der hadden opgeleverd: dankzij zijn welgestelde clientèle kon hij genieten van een vorm van straffeloosheid, die hij evenwel gebruikte om diezelfde clientèle te hekelen en te bespotten. De markiezin van Clayvenore zou hij in zijn atelier in Windsor de stuipen op het lijf hebben gejaagd met een spookact – een reus en een dwerg die op het doek tot leven kwamen. Van barones Desrodes, die amfibieën verzamelde, zou hij een portret hebben gemaakt waarin ze, omringd door kikvorsachtigen, troonde als kikvorskoningin. En in zijn voorliefde voor kwijnend vlees zou hij er niet voor zijn teruggedeinsd sommige van zijn modellen bloot te stellen aan een trage vergiftiging.

Nadat hij zich in Parijs had gevestigd, raakte Ethal in een artistieke impasse. Hij verklaarde dat hij een vorm van helderziendheid bezat die hem in elk mens onmiddellijk de overeenkomst met het dier ingaf, en dat hij te zeer leed onder zijn obsessie met het menselijk masker om nog portretten te kunnen maken. Hij schilderde vanaf dat moment uitsluitend landschappen. In 1899 won hij echter alsnog zijn rechtszaak tegen Lord Kerneby, die inmiddels na een veroordeling wegens overspel van zijn vrouw was gescheiden. Het portret werd toegewezen aan de stervende markiezin. Om haar te overtuigen het portret aan hem af te staan, hield Ethal haar in Nice tijdens haar laatste levensdagen gezelschap. Hij verwachtte van het hernieuwde bezit van zijn schilderij een dermate hevige artistieke emotie, dat hij zijn creatieve impasse zou kunnen doorbreken.

Op 16 mei 1899 werd Claudius Ethal dood aangetroffen in zijn atelier, omringd door drie van zijn eigen schilderijen, waaronder het Portret van markiezin Eddy Kerneby, en een onafzienbare hoeveelheid leliën en hyacinten. De dood was ingetreden na inname van curare, afkomstig uit de holle smaragd van een van zijn ringen. Zelfmoord door vergiftiging, luidde de conclusie van de bevoegde instanties. In kranten werd nog enige tijd gespeculeerd over Ethals verhouding met de steenrijke hertog De Fréneuse, alias Monsieur de Phocas, een bekend verzamelaar van edelstenen. Ethal was het laatste jaar van zijn leven veelvuldig in diens gezelschap gezien. De twee estheten deelden dezelfde hang naar verval en tijdens hun nachtelijke tochten langs de Parijse holen van ontucht waren ze onafscheidelijk. Kort na Ethals dood verkocht De Fréneuse zijn bezittingen en ging op reis. Van hem is nooit meer iets vernomen.

  • Jean Lorrain, Monsieur de Phocas, 1901

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email