Een bezweringsformule die alles bij het oude laat

Maigret bestelt nog een pilsje. Hij zit op de Place de la République en leest zijn ochtendkranten, het is begin augustus en warm. Bier smaakt dan o zo koel en stijgt o zo prettig naar het hoofd. Na de lunch volgen nog een terrasje met zijn vrouw, een diner in een restaurant met vrienden, wijn en calvados, en een slaapmutsje.

Zo wordt Maigrets drinkgedrag beschreven in het openingshoofdstuk van Maigret incognito. De man heeft vakantie, we gunnen hem zijn verzetje. Maar je hoeft geen commissaris Maigret te zijn om met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen voorspellen dat wie om elf uur ’s ochtends met drinken begint, om elf uur ’s avonds in de olie is. Lees een paar Maigrets na elkaar en het springt in het oog: Jules Maigret is een alcoholist.

Verborgen alcoholisme is niet abnormaal in een land waar het aantal sterfgevallen aan levercirrose vijf keer zo hoog ligt als het Europese gemiddelde – zoals in Frankrijk in de jaren zestig nog het geval was. Maigret is een modale Fransman, en een modale Fransman lust wel een glaasje. Juist omdat Maigret zo gewoon is, is hij geloofwaardig. Maigret is een man met dorst, een wisselvallig humeur en een gezonde intuïtie, geen meesterbrein maar een gevoelsmens. Misschien was dat wel Simenons grootste literaire vernieuwing: de uitvinding, begin jaren dertig, van de politieroman met een menselijke, soms kleinmenselijke held – een formule die intussen gemeengoed is geworden, maar die ver afstaat van de klassieke whodunit à la Sherlock Holmes.

De vele biertjes die Maigret tijdens zijn onderzoekswerk achteroverslaat, hebben uiteraard ook te maken met zijn voorliefde voor het café: een ruimte die tegelijk openbaar en intiem is, waar een verhoor zich vermomt als conversatie, waar onbekenden zich gemakkelijk tot confidenties laten verleiden. Het café is de plek waar de gevoelsmens Maigret zich thuis voelt en waar zijn inlevingsvermogen tot bloei komt. Het is bovendien een minder ongastvrije ruimte dan zijn kantoor – dat trouwens, gezien de drank die er vloeit, vaak ook iets van een caféruimte krijgt.

Over de verschillen en overeenkomsten tussen Simenon en Maigret is al veel gezegd – alleen al in het huidige jubileumjaar (Simenon werd geboren in 1903) verschenen er in Frankrijk meer dan vijftig nieuwe studies over de schrijver. Juist zijn inlevingsvermogen heeft Simenon, de Monsieur Tout-le-Monde van de literatuur, gemeen met zijn belangrijkste protagonist. In zijn ‘jacht op de mens’, zoals hij het in een lang interview met Bernard Pivot noemt (nu op dvd uitgebracht, met Pivot als jonge lookalike van Michaël Zeeman), ging de schrijver op dezelfde uitputtende, empathische manier te werk als Maigret: hij schreef zijn romans in een trance van volledige vereenzelviging met zijn personages. Eén hoofdstuk per dag. En net als de commissaris onthoudt hij zich van een oordeel.

Vrijwel gelijktijdig verschijnen dezer dagen twee lijvige delen Simenon in de Pléiadereeks van Gallimard en twaalf vertalingen in de nieuwe Simenonreeks van uitgeverij Atlas, die de Nederlandse vertaalrechten overnam van Bruna. Gedrukt worden op het bijbelpapier van de Pléiade is zoiets als een literaire hemelvaart, het grootste huldeblijk dat een schrijver in Frankrijk ten deel kan vallen. Nu Simenon definitief, zij het laat, is bijgezet in de canon van de Franse letteren, is het de moeite waard de oude vraag naar het literaire gehalte van zijn werk nog eens op te werpen.

De eenentwintig romans die voor de Pléiade werden uitverkoren, vijf Maigrets en zestien psychologische romans, vormen onvermijdelijk weer een soort canon binnen Simenons werk, een elite van titels die meer dan andere het predikaat ‘literair’ lijken te verdienen. Toch benadrukt Jacques Dubois, die de uitgave bezorgde, de eenheid van Simenons oeuvre. Zelfs het onderscheid tussen de Maigrets (fabriekswerk, volgens de schrijver zelf) en de andere romans moet worden gerelativeerd. In de Maigrets is de sfeer vaak belangrijker dan de oplossing van de misdaad en krijgt het slachtoffer vaak meer reliëf dan de dader, en omgekeerd speelt in de ‘harde romans’, zoals Simenon ze noemde (omdat hij de harde waarheid van de personages erin blootlegde), misdaad dikwijls ook een rol in de intrige.

De schrijver zelf mikte met die ‘harde romans’ onomwonden op een plaats binnen de serieuze literatuur (zijn literaire ambities deden hem zelfs een tijdje bij het chique Gallimard belanden), maar hij heeft de twijfels over zijn literaire merites nooit kunnen wegnemen, misschien wel vooral omdat hij zo ongemeen productief was. Nog afgezien van de 200 volksromans en de meer dan 1000 korte verhalen die hij in de jaren twintig onder pseudoniem heeft gepubliceerd, telt zijn officiële oeuvre, geschreven tussen 1931 en 1972, ettelijke verhalenbundels en niet minder dan 192 romans: 75 Maigrets en 117 psychologische trillers. Een gemiddelde van bijna vijf romans per jaar!

Dubois maakt aannemelijk dat Simenons gebrek aan literair krediet weinig te maken heeft met de kwaliteit van zijn werk en veel met zijn marginale positie binnen de Franse letteren. De Belgische parvenu, die goed betaald wilde worden en zich verre hield van literaire coterietjes, werd met wantrouwen gadegeslagen door de pausen van het Parijse literaire establishment (uitgezonderd André Gide). Hij miste het officiële imago van de literator die in de luwte van zijn werkkamer aan een klein maar fijn oeuvre schaaft. Zijn hele leven lang bleef hij de ambachtsman die, zijn afkomst getrouw, in zijn romans ambachtelijke waarden aanwendde: vakmanschap, degelijkheid, kwaliteit. De lezer van een Simenon krijgt ‘waar voor zijn geld’.

Toch valt de schijnbaar geïsoleerd opererende Simenon wel degelijk in een traditie: hij neemt als realist de vacante plek in die na de dood van Zola was ontstaan en voegt zich daarmee in een populaire onderstroom van volksromans. Volgens Dubois maakt hij zich daar ook weer van los en vertoont zijn rijpere werk affiniteiten met de romans van het absurde, zoals La Nausée van Sartre en L’Étranger van Camus. Maar zijn belangrijkste literaire vernieuwingen liggen toch op het terrein van het realisme: de subtiele afwisseling van sfeertekening en monologue intérieur, de fragmentarische dialogen, de opmerkelijke zintuiglijke gevoeligheid (Maigret heeft een zeer fijne neus, ondanks zijn pijp), de flash-forwards enzovoort. Met zijn zuinige, trefzekere stijl en zijn droge, objectiverende distantie grijpt hij de lezer beet en stuwt hem voort naar de ontknoping.

Een Simenonroman volgt bijna altijd hetzelfde stramien. Een hoofdpersoon, meestal een al dan niet omhooggevallen kleinburger, raakt in een existentiële crisis en breekt met zijn of haar verstikkende milieu. Die breuk leidt tot een vorm van zelfverlies waardoor de wereld plotseling alle vanzelfsprekendheid kwijt is en losbandigheid of misdadigheid ineens normaal wordt. Michel Foucault heeft er in Surveiller et punir op gewezen hoe de 19de-eeuwse misdaadliteratuur de misdaad verheerlijkte en tegelijk afzonderde in een wereld die geen verband meer hield met het alledaagse bestaan – de ‘onderwereld’, de wereld van de waanzin of de ‘grootse misdaad’ (met stijlvolle delinquenten als Arsène Lupin). Bij Simenon is de misdaad definitief gebanaliseerd, teruggebracht tot de impuls van laffe, kortzichtige maar vaak ook wanhopige eenlingen.

Simenon geeft stem aan het lijden van de kleine luyden. Net als andere romanciers die gemakshalve ‘reactionair’ worden genoemd – denk aan Michel Houellebecq – schetst hij van hun wereld een ontgoocheld, illusieloos portret, waarmee hij de ervaring van uitzichtloosheid en opstandigheid dichter op de huid zit dan auteurs die de wereld willen aanklagen of verbeteren. Niet oordelen maar begrijpen, was zijn adagium. Bij Simenon zijn mededogen en wreedheid nauwelijks te onderscheiden, het verzet van zijn antihelden tegen hun lot is bijna altijd vergeefs. Wat misschien ook iets verklaart van de universele aantrekkingskracht die zijn werk op lezers wereldwijd uitoefent: berusting in het onvermijdelijke is immers de keerzijde van vergeefsheid. Simenon lezen is als het uitspreken van een bezweringsformule die alles bij het oude laat.

De eerste twaalf in het Nederlands (her)vertaalde romans vormen geen doelbewuste selectie binnen het oeuvre, maar een vrij willekeurige greep (waarschijnlijk omdat dit nog maar het begin is). Meer dan in de twee Pléiadedelen komen in sommige van die romans bepaalde zwakheden tot uiting: een zekere sentimentaliteit (‘met verheven sentimenten maak je slechte literatuur’, schreef Queneau over Simenon), een stijl die clichés niet schuwt, en een onderhuidse rancune tegen het grootsteedse kosmopolitisme (Poolse criminelen die Parijs onveilig maken) en de moderne tijd (die arme rechercheurs die hun werk niet meer normaal kunnen doen).

Intussen is Simenons werk in meer dan vijftig talen vertaald. Volgens de statistieken van de Unesco is hij de meest gelezen schrijver ter wereld. Blijkbaar werkt de machine in vertaling net zo goed als in het Frans: Simenon schrijft boeken die geen trage fijnproeverij van de lezer vereisen, maar waarin je op de eerste pagina wordt beetgepakt en pas op de laatste wordt losgelaten. Bij dat soort literatuur kun je als uitgever de vertaalkwaliteit van minder belang achten, en dat doet Atlas dan ook: het verkoopt toch wel. De nieuwe vertalingen zijn weliswaar leesbaarder dan de oude Zwarte Beertjes, enkele zelfs ronduit goed, maar het is geen toeval dat er nauwelijks erkende vertalers aan het project meewerken: die hebben geen behoefte aan haastklussen beneden het geldende literaire minimumtarief.

De situatie is niet zonder ironie. Net nu Simenon in Frankrijk tot de literaire hemel is toegelaten, en met reden, wordt hij in Nederland nog maar eens in de markt gezet als auteur van semi-literaire ontspanningslectuur, inclusief de belabberde eindredactie die bij dat genre schijnt te horen. Nederland is geen Frankrijk, maar toch smaakt dit naar een gemiste kans.

Simenon gebruikte een zo sober mogelijke stijl en een zo beperkt mogelijke woordenschat: het was zijn expliciete bedoeling zoveel mogelijk lezers te bereiken. Voor wie zijn werk nog niet kent is dit herdenkingsjaar een mooie aanleiding. Middelbareschool-Frans volstaat. Koop de Pléiades, lees de beklemmende teloorgang van een brave Groninger huisvader in L’homme qui regardait passer les trains, lees de filmische openingshoofdstukken van La veuve Couderc of La chambre bleue, haal je Frans en je hart op, en huiver.

  • Georges Simenon, Romans, twee delen. Gallimard, Bibliothèque de la Pléiade, 2003.
  • Pierre Hebey, Album Simenon. Gallimard, Albums de la Pléiade, 2003.

[de Volkskrant, 20 juni 2003, © Martin de Haan en Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email