De bodemloze put in de dichter

De Franse Bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot heeft vanaf het begin de wind niet mee gehad. Het project kreeg niet veel aandacht in de pers, en van de weinige kritieken bleven vooral de negatieve geluiden naklinken, zoals: de succesformule van de Russische Bibliotheek laat zich niet zomaar transplanteren naar een ander taalgebied, de geselecteerde titels zijn te onbekend, de vertalingen zijn niet goed – kortom, zet de reeks maar stop, meneer Van Oorschot.

Zo’n ambitieus project is natuurlijk een gemakkelijk doelwit. Inderdaad valt er best wat aan te merken op de keuze van bepaalde titels of de kwaliteit van sommige vertalingen, maar laten we vooral niet vergeten dat bij andere uitgeverijen vaak veel beroerdere Franse boeken verschijnen. Van Oorschot is een van de weinigen die weigeren mee te doen aan de klopjacht op bestsellers die het huidige uitgeefbeleid (of het gebrek eraan) goeddeels bepaalt, en al met al heeft de Franse Bibliotheek de Nederlandse lezer tot nu toe een heel aardige rij boeken opgeleverd, met een paar flinke uitschieters naar boven.

Tot die laatste behoort zonder twijfel het werk van Pierre Michon, met zijn 53 jaar (hij is even oud als die andere P.M., Patrick Modiano) een van de voornaamste exponenten van de ‘jongere’ schrijverslichting die in de jaren tachtig het roer overnam van Tel Quel en de Nouveau Roman, de experimentele stromingen die de Franse literatuur haar imago van onleesbaarheid hebben gegeven. Vooral als stilist geniet Michon grote faam, en dankzij de inspanningen van een andere stilist, vertaler Rokus Hofstede, begint zijn werk ook in het Nederlands langzaam maar zeker vorm aan te nemen.

Michon schrijft uitsluitend teksten van geringe omvang, waarvan de meeste gewijd zijn aan het leven van een beroemde kunstenaar. Het drieluik Meesters en knechten behandelt bijvoorbeeld de levens van Watteau, Lorentino d’Angelo en Goya; Het leven van Joseph Roulin gaat over de vitae parallelae van de postbeambte Roulin en de schilder Van Gogh die hem heeft vereeuwigd, en het zojuist vertaalde boekje Rimbaud de zoon stelt het leven van de beroemde symbolistische dichter aan de orde.

Een opvallende uitzondering in die reeks is de novelle De hengelaars van Castelnau, vorig jaar in vertaling verschenen en nauwelijks gesignaleerd in de pers. De flaptekst noemt het een ‘juweel van een boekje’, en voor een keer is dat geen loze verkoopkreet. In nauwelijks meer dan vijftig bladzijden weet Michon een ongekend broeierige sfeer op te roepen, er gaat een immense dreiging van het boekje uit, comfortabel achteroverleunen is er voor de lezer niet bij.

De novelle gaat over een jonge onderwijzer die wordt benoemd in zijn eerste standplaats, een dorpje in de Dordogne dat zich hoog boven het dal van de Grande Beune verheft. De grotten van Lascaux zijn vlakbij, we zitten in het land van de oeros en het rendier, en samen met de hoofdpersoon worden we meegevoerd naar een onbestemd, mythisch verleden.

Niet dat het verhaal zich niet in een heel herkenbaar heden afspeelt: de plaatselijke vissers rijden rond op knetterende brommers, de hoofdpersoon bezoekt met zijn vriendinnetje de prehistorische grotten, de mooiste vrouw van het dorp drijft een tabakswinkeltje. Maar overal ligt het verleden, de mythe op de loer. De plaatselijke waardin heerst over haar gelagkamer zoals de Sibylle van Cumae over haar spelonk, tabakverkoopster Yvonne is een moderne Callipygis, en zelfs een banaal pakje Marlboro krijgt een symbolische lading.

Rood en wit zijn inderdaad de kleuren waar de tekst om draait. Michon voert ons van witte vissen naar rode vossen, van witte wanden naar rode wonden. Centraal in dat alles staat het lichaam van Yvonne, waar de hoofdpersoon zijn zinnen op heeft gezet. Zij is het witte, raadselachtige, eeuwig vrouwelijke, de wand van de grot vlak voor het moment dat de prehistorische schilders er hun rode tekens op zullen achterlaten. Hij droomt ervan zo’n schilder te zijn, maar iemand anders is hem voor. En terwijl zij ‘eindeloos de dood nabij’ is, stroomt de Beune voort. . .

Rimbaud de zoon is een heel ander soort boek. De enige overeenkomst is de taal, die in beide boekjes borrelt, bruist, botst, bonst. Michon is geen mooischrijver, hij ‘pakt de mooie, edele en welluidende Franse taal zonder pardon bij haar haren en legt haar neer op een krakend en piepend bed’, zoals een andere Franse schrijver, Christian Bobin, het omschrijft. Rokus Hofstede slaagt erin met het Nederlands iets vergelijkbaars te doen, wat voorwaar geen sinecure is.

In zijn kunstenaarslevens probeert Michon consequent de bestaande mythologie rond zijn onderwerp af te breken om ruimte te maken voor de essentiele vraag: wat maakt deze persoon tot een groot kunstenaar? Ook in Rimbaud de zoon gaat hij op die manier te werk. Manoeuvrerend in de marges van de rimbaudiaanse ‘Vulgaat’, dat wil zeggen de overbekende foto’s, anekdotes en theorieën die voor de lezers van nu het beeld van de dichter bepalen, tracht hij Rimbaud terug te plaatsen in het spanningsveld waaruit zijn revolutionaire poezie is voortgekomen.

Bij de naam Rimbaud denken wij aan de dood van de alexandrijn (de ‘roede’, zegt Michon), aan het einde van de taal als transparant communicatiemiddel, kortom aan het boze genie dat taal en wereld definitief uiteenspleet om vervolgens als wapenkoopman zijn heil te gaan zoeken in Ethiopië. Michon zet zijn vraagtekens bij dat begrip ‘genie’, dat niets verklaart en ons slechts in slaap sust. In de kantlijn van de Vulgaat schetst hij een nieuw beeld: dat van Rimbaud als zoon.

Rimbaud, de zoon. Rimbaud, het kind wiens vader in verre garnizoenen vertoeft en wiens moeder hem niet ziet staan. Rimbaud, de jonge dichter met de bodemloze put in zich waarin hij zijn moeder (‘de Toverkol’) naar hem hoort schreeuwen. Hij wil het vers in eigen persoon zijn, moet dat zijn om te bewijzen dat hij een waardige zoon is, de beste, de enige, opdat het geschreeuw in de put eindelijk zal verstommen.

En misschien verstomt het ook wel even, wanneer hij Une saison en enfer schrijft op een zolder in de Ardennen, in de oogsttijd. Zegt Michon. En wij geloven hem.

  • Pierre Michon, De hengelaars van Castelnau, vertaling Rokus Hofstede. Van Oorschot, 1997.
  • Pierre Michon, Rimbaud de zoon, vertaling Rokus Hofstede. Van Oorschot, 1998.

[de Volkskrant, 12 juni 1998, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email