Tegen de terreur van het Goede

Hij heeft een donkere zonnebril op. Hij houdt van harde rockmuziek. Hij gebruikt bewustzijnsverruimende middelen. Hij kondigt het einde van de mensheid aan, of iets wat daarop lijkt. En hij schrijft vuistdikke boeken.

Maurice G. Dantec is een geval apart, en volgens sommigen de grootste Franse schrijver van onze tijd. Dat laatste mag opvallend heten gezien het genre waarin hij zich bij voorkeur beweegt: de toekomstroman. Maar zelf ziet hij het onderscheid tussen dat ‘lagere’ genre en de algemene, ‘hoge’ literatuur niet zo. Als literatuur een poging is om via de omweg van de verbeelding iets duidelijk te maken over de werkelijkheid waarin we leven, kan het heel nuttig zijn om de geijkte ‘er was eens’-conventie, de basis van elke realistische roman, af en toe te vervangen door een ‘er zal eens zijn’ dat het heden plotsklaps in een heel ander daglicht plaatst.

Een tamelijk naargeestig daglicht, dat wel. Maar literatuur is er niet om geruststellende pseudozekerheden aan te reiken of te bevestigen. Dantec wil romans schrijven die ingrijpen in de werkelijkheid van de lezer, die nieuwe verbindingen tot stand brengen en oude verbindingen ongedaan maken: de roman als experimenteel neurobiologisch wapen, als manier om de wereld in beweging te zetten, want literatuur is ‘een permanent misdrijf dat tegen de wereld wordt begaan’, een voortbrenger van crisis, van verandering, van nieuwe werkelijkheid – en dus allesbehalve een mechanische reproductie van de bestaande werkelijkheid of de schijnbeelden die daarvoor moeten doorgaan.

Tot zover lijkt er eigenlijk weinig nieuws onder de zon: ingrijpen in de wereld door een scheutje cola over de vastgeroeste radertjes van onze hersens te gieten, dat willen heel veel schrijvers wel op een of andere manier. Het bijzondere van Dantec ligt dan ook vooral in de onmatigheid, de felheid, de compromisloosheid en de intelligentie waarmee hij dat doel probeert te bereiken, en niet te vergeten in de aard van zijn stellingnamen. Die verwoordt hij met name in het ‘metafysische en polemische dagboek’ dat hij parallel aan zijn romans bijhoudt, en waarvan tot nu toe twee dikke delen zijn verschenen. Het is één grote stroom van krankzinnige dan wel geniale, maar altijd uitdagende bespiegelingen, als je tenminste bereid bent je eigen opvattingen aan de vuurproef te onderwerpen.

Sommigen noemen Dantec reactionair, en inderdaad foetert hij heel wat af op het hedendaagse humanitaire monodenken, dat in zijn laatste twee romans zelfs is uitgegroeid tot een computermatige ‘Metastructuur’ die de ‘Menselijke UniWereld’ regeert (met uitzondering van die verrekte islam). Na de dood van God zijn we overgegaan tot ‘industriële massaproductie van doe-het-zelf-afgoden en -religies’, we hebben respect voor alle mogelijke etnische, religieuze, culturele en seksuele minderheden (behalve die van de mannelijke blanke hetero) en zijn tolerant tot op het bot, maar ondertussen grijpt het geweld steeds verder om zich heen en lijkt de mensheid steeds harder op de afgrond af te hollen – zou het een soms verband houden met het ander?

Dantec beseft beter dan wie ook dat de banvloek die in etiketten als ‘reactionair’ besloten ligt nu juist elke uitwisseling van ideeën onmogelijk maakt, sterker nog, daar precies voor bedoeld is: het tolerante, ‘progressieve’ weldenken duldt naast zichzelf geen andere visie op de wereld (behalve, alweer, die verrekte islam). Zelf doet hij overigens exact het omgekeerde: hij werpt zich op als een fervent ijveraar voor de vrijheid van meningsuiting, maar moet intussen niets hebben van de moderne democratie, die wordt overheerst door de moraal van de kudde. Nietzsche is bij Dantec nooit ver weg. Darwin, Deleuze, Baudrillard, de moderne wetenschap en de katholieke traditie trouwens ook niet: een tamelijk uniek mengelmoesje, niet zonder interne spanningen, maar die maken het er alleen maar interessanter op.

Naast de twee dagboekdelen telt Dantecs oeuvre inmiddels zes romans. Wie die in chronologische volgorde leest, en dat moet je haast wel doen om te begrijpen waar de man naartoe wil, ziet een duidelijke ontwikkeling: van een kale, harde thriller (La Sirène rouge) gaat het via een psychologische sf-thriller (Les Racines du mal) steeds verder de toekomst in, terwijl de schrijfstijl steeds exuberanter wordt en de visie steeds apocalyptischer. In zijn laatste twee romans, Cosmos Incorporated en het onlangs verschenen Grande Jonction, schildert hij een beklemmend beeld van een imaginaire toekomstwereld waarin de mensheid volledig wordt gedomineerd door haar eigen artefacten. Reactionaire angst voor de machine? Nee, angst voor de terreur van het Goede. Van Dantec mogen de cyborgs morgen komen.

Grande Jonction gaat verder waar Cosmos Incorporated was geëindigd, op het punt waar de Metastructuur (de computermatige instantie die de controle over de volmaakt relativistische en dus structuurloze UniWereld uitoefent) zichzelf vernietigt en omslaat in haar eigen negatief: een onstoffelijke, alomtegenwoordige antimachine, die eerst alle elektronische, dan alle mechanische en uiteindelijk alle biologische machines (de mens) onklaar wil maken, in een soort omgekeerde evolutie. Maar gelukkig is daar Gabriel Link de Nova, eveneens ontstaan uit de zelfvernietiging van de Metastructuur en een exacte tegenhanger van de antimachine, die voor de redding en voor een nieuwe transcendentie kan zorgen.

De mens moet God scheppen, zegt Dantec ergens in zijn dagboek, voortbordurend op Nietzsches idee van de Übermensch. Met deze nauwelijks vermomde messianistische roman geeft hij zelf in ieder geval het goede voorbeeld – op de grens van waanzin en genie. Deze unieke schrijver moet hoognodig worden vertaald.

 

  • Maurice G. Dantec, Grande Jonction, Albin Michel 2006
  • Maurice G. Dantec, Journal métaphysique et polémique, twee delen, Gallimard (Folio)

 

 

 

[de Volkskrant, 13 oktober 2006, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email