Tussen mythe en utopie

Je hebt makers, en je hebt zoekers. De ene kunstenaar boetseert, modelleert, schaaft tot het kunstwerk ‘af’ is, of althans vooralsnog niet verder geperfectioneerd kan worden, de ander vindt het eindresultaat minder belangrijk dan de afgelegde weg, of sterker nog: het onderweg zijn an sich, de zoektocht naar het misschien wel onbereikbare doel.

Als er één persoon tot die laatste categorie behoort, is het wel de Franse schrijver Jean-Marie Gustave (voor zijn lezers: J.M.G.) Le Clézio. Zijn hele werk staat in het teken van de onrust, de drang om op weg te gaan, de verwerping van het hier en nu ten gunste van een onzekere, steeds terugwijkende toekomst. Le Clézio is een nomade in hart en nieren, niet alleen in zijn eigen leven maar ook in zijn werk: zijn romans spelen zich af in exotische oorden, de personages zijn voortdurend in beweging, op zoek naar die ene plek in de wereld waar ze zich zouden kunnen thuisvoelen.

In Frankrijk is Le Clézio zeer populair, maar in Nederland is hij tot nu toe niet echt doorgedrongen. Zijn barokke debuut Le procès-verbal, in 1963 bekroond met de prestigieuze Prix Renaudot, werd weliswaar direct in het Nederlands vertaald, maar daarna bleef het lange tijd stil. Pas in 1997 verscheen er weer een vertaling van een van zijn boeken, Diego en Frida: de geschiedenis van een legendarisch paar, een biografie van Frida Kahlo en Diego Rivera. Blijkbaar sloeg dat boek beter aan, want onlangs bracht uitgeverij De Geus ook een vertaling van de bestseller Poisson d’or uit.

Gouden vis is weer een typische Le Clézio-roman. Het is het verhaal van de zwerftocht die het meisje Laila maakt, van Noord-Afrika via Parijs en Nice naar Amerika, om uiteindelijk terug te keren naar de westelijke Sahara, waar ze geboren is en als zesjarig kind is ontvoerd. Laila (‘de Nacht’) is niet haar echte naam, ze is zo genoemd door de oude vrouw die haar van haar ontvoerders heeft gekocht, en haar zwerftocht is dan ook onmiskenbaar een zoektocht naar haar eigen identiteit. Pas wanneer ze de grond aanraakt waar ze is geboren, is haar reis ten einde: ‘Nu ben ik vrij, alles kan beginnen.’

Zo’n summiere samenvatting doet het boek uiteraard geen recht, maar één ding wordt er wel duidelijk door: van zijn originele plot moet Gouden vis het niet hebben. Le Clézio koppelt een zeer actueel maatschappelijk thema aan een literaire vorm die op zijn zachtst gezegd zijn beste tijd wel heeft gehad, en het heeft er dan ook alle schijn van dat de nauw luisterende balans tussen kunst en moraal hier al te ver naar die laatste doorslaat. Voeg daarbij de onhandigheid van het ik-perspectief (de volwassen, wijze Laila die het verhaal vertelt en de naïeve jonge Laila wier zoektocht we volgen, komen regelmatig met elkaar in conflict), en het is duidelijk dat Gouden vis als roman niet bijzonder geslaagd is, ondanks de  indringende typeringen van het leven aan de zelfkant van de wereld.

In zijn onlangs verschenen tweeluik HasardAngoli Mala komt Le Clézio met vergelijkbare uitgangspunten heel wat verder. In Hasard is er opnieuw sprake van een meisje, Nassima, dat een leemte in haar bestaan (haar vader is er toen ze jong was vandoor gegaan) probeert op te vullen door eropuit te trekken, maar belangrijker dan die zoektocht is de merkwaardige relatie die ze krijgt met de steenrijke excentriekeling Moguer, op wiens zeilschip ze zich verstopt in de hoop te kunnen meereizen naar verre, veelbelovende oorden – haar vader achterna.

Tussen de twee ontstaat een onuitgesproken gevoel van verbondenheid: Moguer ziet in Nassima een vervanging voor zijn even oude dochter die hij van zijn ex-vrouw niet meer mag ontmoeten, Nassima ziet in hem een vervanging voor haar verdwenen vader. Maar door het hele verhaal speelt ook de raadselachtige dood van een andere jonge vrouw, Maté: heeft Moguer haar vermoord, en staat Nassima hetzelfde lot te wachten?

Hasard wordt gedragen door iets wat Gouden vis geheel mist: suggestiviteit. Door het gebruik van de derde persoon is Le Clézio hier niet aan de stilistische en psychologische beperkingen van een ik-vertelling gebonden, en dat komt zijn schrijven in alle opzichten ten goede. De beweegredenen van de personages worden vaak expres schimmig gehouden, en vooral de dood van Maté is in een bijna mythische ongrijpbaarheid gehuld: haar dodelijke val van een hotelbalkon zou volgens Moguer het gevolg zijn geweest van een paniekreactie bij het zien van een adder in de douche, maar heeft die slang echt bestaan? Opvallend is dat het Franse woord voor adder, vipère, precies hetzelfde klinkt als vit père, ‘zag vader’. Het incestmotief structureert de roman tot op woordniveau.

Het andere deel van het tweeluik, Angoli Mali, speelt zich af in Panama, tegen de grens met Colombia. Deze lange novelle dateert uit 1985, en Le Clézio schrijft op de achterflap dat hij de tekst met Hasard in één boek heeft verenigd omdat hij getroffen werd door de overeenkomst tussen de twee verhalen, die in feite als elkaars spiegelbeeld kunnen worden gezien. Inderdaad is ook de hoofdpersoon van Angoli Mali, de jonge indiaanse weesjongen Bravito, verwikkeld in een strijd om een eigen plek, een leerproces waarin hij kennismaakt met zowel het kwaad als de mooie dingen die de wereld te bieden heeft: de liefde, de mysterieuze bekoring van het oerwoud, de onaantastbare pracht van de lucht.

‘Liefde voor de natuur’, noemt Le Clézio dat zelf op de achterflap, zonder de minste of geringste ironie. Het bewijst eens temeer hoezeer hij zich voortdurend op de grens tussen mythe en utopie beweegt. Zijn bewonderaars weten hem in die evenwichtskunst niet altijd even goed na te volgen, zoals blijkt uit een onlangs verschenen boek van Gérard de Cortanze over zijn leven en werk. Het is schitterend geïllustreerd maar helaas nogal klungelig geschreven (met als leitmotiv de initialen van de auteur: het is J.M.G. voor en J.M.G. na), en het maakt alles dodelijk expliciet wat Le Clézio in zijn meest geslaagde werk, zoals Hasard en Angoli Mali, niet onder woorden brengt maar eenvoudigweg aanwezig laat zijn.

En ondertussen blijft Le Clézio maar verder zwerven. Ook na 38 boeken is het eindpunt nog niet in zicht gekomen. Zoals hij zelf tegen Cortanze zegt: ‘Ik zal altijd blijven schrijven en me altijd blijven afvragen wanneer eindelijk het moment zal aanbreken dat ik geen woorden meer nodig heb.’ Laten we hopen dat dat moment nog lang op zich zal laten wachten. Hoeveel vraagtekens hij af en toe ook oproept, Le Clézio is en blijft een fenomeen.

  • J.M.G. Le Clézio, Gouden vis, vertaald door Maria Noordman. De Geus, 1999.
  • J.M.G. Le Clézio, Hasard, suivi de Angoli Mala. Gallimard, 1999.
  • Gérard de Cortanze, J.M.G. Le Clézio – vérité et légendes. Le Chêne, 1999.

[de Volkskrant, 9 juli 1999, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email