Marcel Proust, Het vervloekte ras, fragment

[Charlus] behoorde tot het ras van die mensen, minder met zichzelf in strijd dan de schijn doet vermoeden, die juist vanwege hun vrouwelijk temperament een viriel ideaal hebben en in het leven net als alle andere mannen zijn, maar alleen aan de buitenkant; op de plaats waar bij ieder van ons, gegraveerd in het facet van de pupil, een schaduwbeeld is gegrift in de ogen waardoorheen we alles op aarde zien, is dat bij hen niet het beeld van een nimf, maar van een efebe. Een ras van vervloekten, die moeten leven in leugen en bedrog, omdat ze weten dat hun verlangen, datgene wat voor ieder schepsel de grootste levensvreugde is, strafbaar en beschamend, schandelijk wordt geacht; die hun God moeten verloochenen, omdat ze, wanneer ze als beklaagden voor de rechter verschijnen, hoe christelijk ze ook mogen zijn, ten overstaan van Christus en in zijn naam als vuige laster moeten ontkennen wat hun hele leven is; zonen zonder moeder, tegen wie ze zelfs nog moeten liegen op het moment dat ze haar de ogen sluiten; vrienden zonder vriendschap, ondanks alle vriendschap waar hun veelal goede hart vatbaar voor is en die ze anderen inboezemen met hun vaak erkende charme; maar kun je nog spreken van vriendschap bij het soort betrekkingen dat slechts vegeteert bij de gratie van een leugen, en waaruit ze vol afkeer zouden worden verstoten bij de eerste opwelling van vertrouwen en eerlijkheid waartoe ze zich zouden laten verleiden, tenzij ze te maken hadden met een onpartijdige of zelfs welgezinde geest, die dan echter, misleid door een stereotiepe psychologie, uit de opgebiechte ondeugd de affectie zal afleiden die er het allervreemdst aan is, precies zoals sommige rechters eerder geneigd zijn geïnverteerden van moord en joden van verraad te verdenken en vrij te pleiten, om redenen die voortvloeien uit de erfzonde en uit het noodlot van het ras? Minnaars, ten slotte – althans volgens mijn eerste, schetsmatige theorie van toen, die we later zullen zien veranderen, en waarin dit hen meer zou hebben gestoord dan al het andere, ware die tegenstrijdigheid niet aan het zicht onttrokken door dezelfde illusie die maakte dat ze konden zien en leven – die vrijwel zeker nooit de liefde zullen kennen waarop ze hopen en die hun de kracht geeft om zoveel risico’s en eenzaamheid te verdragen, omdat ze juist verliefd zijn op een man die niets van een vrouw heeft, een man die geen geïnverteerde is en bijgevolg niet van hen kan houden; zodat hun begeerte voor altijd onstilbaar zou zijn als ze met geld geen echte mannen konden krijgen, en als ze de geïnverteerden aan wie ze zich hebben vergooid uiteindelijk in hun verbeelding niet voor echte mannen zouden aanzien. Die geen eer bezitten dan een kwetsbare, geen vrijheid dan een voorlopige, totdat de misdaad wordt ontdekt; geen positie dan een wankele, zoals van de dichter die de vorige dag nog werd gefêteerd in alle salons, toegejuicht in alle theaters van Londen, en de volgende dag verjaagd uit alle huurkamers zonder een kussen te vinden om zijn hoofd op te leggen, aan de molensteen draaiend zoals Simson en zoals hij verzuchtend: ‘Gescheiden van elkaar zullen de seksen sterven’; die het zelfs, behalve op dagen van grote tegenspoed, wanneer de meerderheid zich rond het slachtoffer schaart, zoals de joden rond Dreyfus, moeten stellen zonder de sympathie – en soms het gezelschap – van hun gelijken, die zij doen walgen van zichzelf door hun een spiegel voor te houden die hen niet langer flatteert, maar alle onvolkomenheden benadrukt die ze bij zichzelf niet hadden willen zien, en hun te verstaan geeft dat wat ze hun liefde noemden (en waaraan ze, spelend met het woord, uit sociaal gevoel alles hebben gekoppeld wat poëzie, schilderkunst, muziek, riddergeest en ascetisme aan de liefde hebben toegevoegd) niet voortvloeit uit een zelfverkozen schoonheidsideaal, maar uit een ongeneeslijke ziekte; die, nogmaals net als de joden (op de enkelen na die alleen met hun rasgenoten willen omgaan en altijd de rituele frasen en geijkte grapjes op hun lippen hebben), elkaar mijden en het gezelschap zoeken van het slag mensen dat het meest van hen verschilt, dat niets van hen moet hebben, vergevensgezind wanneer ze worden afgesnauwd, in de wolken wanneer ze vriendelijk worden bejegend; maar die ook bijeen worden gedreven door het ostracisme dat hen treft, de smaad waarmee ze zijn overladen, zodat ze uiteindelijk, door een vervolging als die van Israël, de lichamelijke en geestelijke trekken van een ras hebben aangenomen, individueel soms mooi, vaak afzichtelijk, rust vindend (ondanks alle spot waarmee degene die uiterlijk relatief het minst geïnverteerd is, omdat hij beter geïntegreerd is in en aangepast aan het tegengestelde ras, de ander overlaadt die het duidelijker is gebleven) in de omgang met hun gelijken en zelfs steun in hun bestaan, met als gevolg dat ze, hoewel ze ontkennen een ras te zijn (waarvan de naam het ergste scheldwoord is), graag degenen ontmaskeren die weten te verhullen dat ze ertoe behoren, minder om hen te schaden, waar ze geen been in zien, dan om zichzelf te verontschuldigen, en tot in de geschiedenis op zoek gaan naar inversie zoals een dokter naar een blindedarmontsteking, met plezier memorerend dat Socrates een van hen was, zoals de Israëlieten wijzen op de joodsheid van Jezus, zonder te bedenken dat er geen afwijkenden bestonden toen homoseksualiteit de norm was, vóór Christus geen antichristen, dat alleen het schandaal de misdadiger maakt, omdat het enkel diegenen heeft overgelaten die ongevoelig waren voor elke zedenpreek, elk voorbeeld, elke straf, krachtens een aangeboren neiging die zo speciaal is dat ze (hoewel ze vergezeld kan gaan van hoge morele kwaliteiten) andere mannen meer afkeer inboezemt dan bepaalde ondeugden die ermee in strijd zijn, zoals diefstal, wreedheid en kwade trouw, die beter worden begrepen en dus gemakkelijker vergoelijkt door de massa; die een veel wijder verbreide, efficiëntere en minder verdachte vrijmetselarij vormen dan die van de loges, omdat ze berust op een overeenstemming van voorkeuren, behoeften, gewoonten, gevaren, vorming, kennis, handel en vocabulaire, en waarin zelfs leden die elkaar niet willen kennen elkaar direct herkennen aan natuurlijke of conventionele, onwillekeurige of opzettelijke tekens, die maken dat de bedelaar een van zijn gelijken bespeurt in de grote heer voor wie hij het portier dichtdoet, de vader in de verloofde van zijn dochter, de man die wilde genezen, biechten, zich moest verdedigen in de arts, priester of advocaat die hij is gaan opzoeken; die allen gedwongen zijn hun geheim te beschermen, maar deel hebben aan een geheim van anderen waar de rest van de mensheid geen vermoeden van heeft, en waardoor de onwaarschijnlijkste avonturenromans voor hen waar lijken; want in dat romaneske, anachronistische leven is de ambassadeur de vriend van de dwangarbeider; gaat de prins, met een zekere losheid van manieren die het gevolg is van zijn aristocratische opvoeding en hem onderscheidt van een angstige kleinburger, als hij bij de hertogin vandaan komt in conclaaf met de straatrover; die een verdoemd maar aanzienlijk deel van de menselijke gemeenschap vormen, dat wordt vermoed waar het niet is en zich brutaal en ongestraft vertoont waar het niet wordt verwacht; die overal medestanders hebben, in het volk, in het leger, in de Kerk, in het strafkamp, op de troon; die ten slotte, althans een groot deel van hen, in de strelende, gevaarlijke nabijheid van de mannen van het andere ras leven, die ze provoceren, met wie ze spelenderwijs over hun ondeugd praten alsof die niet van hen is, een spel dat wordt vergemakkelijkt door de verblinding of hypocrisie van de anderen, een spel dat jarenlang kan doorgaan, totdat het schandaal aan het licht treedt en de dompteurs worden verslonden; die tot dan toe gedwongen zijn hun leven verborgen te houden, hun blik af te wenden van hetgeen waarop hij zich zou willen richten, hem te richten op hetgeen waarvan hij zich zou willen afwenden, hun vocabulaire aan te passen, een sociale dwang die nog weinig voorstelt vergeleken bij de innerlijke dwang die hun ondeugd, of wat men ten onrechte zo noemt, hun oplegt, dit keer niet jegens de anderen maar jegens henzelf, opdat ze er zelf geen ondeugd in hoeven te zien.

[Marcel Proust, Het vervloekte ras (Sodom en Gomorra I), vert. Marjan Hof. Voetnoot, Perlouses 7, 2004]

  • ‘[…] en ziedaar, Proust in het Nederlands. Eindelijk.’ – Het Parool over Het vervloekte ras
  • ‘Deze vertaling was een vingeroefening voor een mogelijke nieuwe Nederlandse versie van À la recherche du temps perdu. Dat is op zich al bijna wereldnieuws, want een vergelijkende studie van deze tekst en de verouderde maar nog altijd leverbare vertaling van de Recherche wordt beslecht in het voordeel van Marjan Hof. De tekst loopt en “bekt”; zelfs de beruchte paginalange zinnen van de auteur […] krijgen een meanderend ritme.’ – De Morgen over Het vervloekte ras

Print Friendly, PDF & Email