Roland Barthes, ‘Jonge onderzoekers’

[…] Nog voordat hij aan de slag gaat, ondervindt de student de gevolgen van een reeks scheidslijnen. In zijn hoedanigheid van jongere behoort hij tot een klasse die wordt gedefinieerd door haar improductiviteit; hij is geen bezitter en geen producent, hij staat buiten het ruilproces, en zelfs, om zo te zeggen, buiten de uitbuiting; maatschappelijk gesproken is hij uitgesloten van elke benoeming. In zijn hoedanigheid van intellectueel is hij onderworpen aan de hiërarchie van de verschillende soorten arbeid; hij wordt geacht deel te nemen aan een vorm van speculatieve luxe, waarvan hij nochtans niet kan genieten omdat hij er geen zeggenschap over heeft, dat wil zeggen dat hij er niet naar eigen inzicht over kan communiceren. In zijn hoedanigheid van onderzoeker is hij veroordeeld tot de scheiding van de vormen van discours: aan de ene kant het discours van de wetenschappelijkheid (discours van de Wet) en, aan de andere het discours van het verlangen, oftewel het schrijven.

 

***

 

Arbeid (onderzoeksarbeid) moet worden opgenomen in het verlangen. Als die opname niet plaatsvindt, is arbeid treurig, functioneel, vervreemd, alleen gemotiveerd door de noodzaak een examen af te leggen, een diploma te halen, een stap op de carrièreladder te zetten. Om verlangen in mijn arbeid te laten doordringen, moet die arbeid van mij worden gevraagd, niet door een collectiviteit die zich wil vergewissen van mijn inspanningen (van de moeite die ik me heb getroost) en boekhoudkundig wil bijhouden of de investeringen waarvan ik het voorwerp ben wel rendabel zijn, maar door een levende verzameling lezers, in wie het verlangen naar de Ander (en niet de controle door de Wet) hoorbaar is. Maar wat we in onze maatschappij, in onze instituties vragen aan de student, aan de jonge onderzoeker, aan de intellectuele arbeider, is nooit diens verlangen; we vragen hem niet te schrijven, we vragen hem te spreken (tot vervelens toe uiteenzettingen te geven) of ‘verslag  uit te brengen’ (met het oog op regelmatige controles).

Hier was het de opzet dat de onderzoeksarbeid van meet af aan onderhevig zou zijn aan een sterke vraag, geformuleerd buiten de institutie om, en die alleen de vraag naar het schrijven kan zijn. Natuurlijk is wat in dit nummer staat maar een stukje utopie, want het spreekt voor zich dat de maatschappij niet bereid is de student, en in het bijzonder de student ‘letteren’, op grote, institutionele schaal dit geluk te gunnen: dat men hem nodig heeft; niet zijn toekomstige competentie of functie, maar zijn huidige passie.

 

***

 

Misschien is het tijd om vraagtekens te zetten bij een welbepaald fabeltje: het fabeltje dat onderzoek zich laat uiteenzetten, maar zich niet laat schrijven. Een onderzoeker zou in wezen iemand zijn die materialen vergaart, zijn of haar problemen zouden zich alleen op dat niveau stellen; tegen de tijd dat de ‘resultaten’ moeten worden gecommuniceerd, zouden alle problemen al zijn opgelost; ‘vormgeven’ zou niet meer zijn dan een vage eindverrichting, die dankzij een paar op de middelbare school aangeleerde ‘uitdrukkingstechnieken’ in rap tempo zou worden afgehandeld, en met als enige beperking dat je je zou moeten onderwerpen aan de vaste regels van het genre (‘helderheid’ nastreven, beelden weglaten, de wetten van de bewijsvoering respecteren). Maar al zou de student in de sociale wetenschappen zich tot simpele ‘uitdrukkingstaken’ beperken, dan nog is hij zeer ondermaats toegerust. En wanneer het onderzoeksobject bestaat uit Tekst (we komen nog op dit woord terug), wordt de onderzoeker voor een lastig dilemma geplaatst: ofwel over de Tekst spreken volgens de conventionele code van het communicatieve schrijven [l’écrivance], dat wil zeggen de gevangene blijven van het ‘imaginaire’ van de geleerde, die buiten zijn onderzoeksobject wenst te staan, of, nog erger, meent te staan, en die in alle onschuld, in alle zelfverzekerdheid, zijn eigen taalgebruik in een positie van exterritorialiteit denkt te kunnen plaatsen; ofwel zelf toetreden tot het spel van de betekenaar, tot de grenzeloosheid van de verwoording [l’énonciation], in één woord: ‘schrijven’ (wat niet hetzelfde is als domweg ‘goed schrijven’), het zelfgewaande ‘ik’ ontdoen van zijn imaginaire schil, van de wetenschappelijke code die bescherming biedt maar ook misleidend is, in één woord het subject dwars over het wit van de pagina gooien, niet om het ‘uit te drukken’ (het gaat hier niet om ‘subjectiviteit’), maar om het te versnipperen – anders gezegd, buiten de oevers van het reguliere onderzoeksdiscours treden. Natuurlijk willen we juist dit buiten de oevers treden van het discours, hoe gering ook, in dit nummer ten tonele voeren: een overvloeien dat wisselt afhankelijk van de auteurs; we hebben niet de voorrang willen geven aan deze of gene schrijftrant; wat telt, is dat de onderzoeker op minstens één niveau (kennis, methode, enunciatie) besluit de Wet van het wetenschappelijke discours naast zich neer te leggen. (Het discours van de wetenschap is niet per se hetzelfde als de wetenschap; het schrijven mag het geleerde discours in twijfel trekken, het ontslaat zich daarmee allerminst van de regels van wetenschappelijke arbeid.)

 

***

 

Onderzoek wordt gedaan om te worden gepubliceerd, maar dat gebeurt zelden, vooral in de beginfase, die niet noodzakelijkerwijs minder belangrijk is dan de eindfase; het succes van onderzoek ­– vooral als het zich op teksten richt – ligt niet in het ‘resultaat’, een misleidend begrip, maar in de reflexieve aard van de enunciatie ervan; in elke onderzoeksfase kan het onderzoek de taal naar zichzelf toekeren en zo de kwade trouw van de geleerde doen wijken – in één woord, de auteur en de lezer verplaatsen. Toch wordt zoals bekend het werk van studenten maar weinig gepubliceerd; het gewone doctoraatsproefschrift is feitelijk een verdrongen discours. Door hier fragmenten uit eerste onderzoeken te publiceren, hopen we die verdringing te bestrijden; en wat we op die manier zouden willen bevrijden, is niet alleen de auteur, maar ook de lezer van het artikel, want de lezer (en zeker de lezer van een tijdschrift) is evengoed overgeleverd aan de gangbare verdeling van gespecialiseerde talen. Onderzoek moet iets anders zijn dan de schrale arbeid die zich afspeelt hetzij in het ‘bewustzijn’ van de onderzoeker (een pijnlijke, autistische vorm van monoloog), hetzij in de povere heen-en-weerbeweging waarbij de onderzoekspromotor de enige lezer van het geschrevene is. Onderzoek moet worden heringevoerd in de anonieme circulatie van taal, in de verstrooiing van de Tekst.

 

***

 

De hiernavolgende studies zijn onderzoeken in de zin dat ze de interpretatie (van oude teksten) willen vernieuwen. De interpretatie vernieuwen: het is niet de bedoeling om de oude eisen die aan interpretatie werden gesteld door nieuwe wetenschappelijke regels te vervangen, maar eerder om ons te kunnen voorstellen dat een vrije lectuur eindelijk de norm van ‘literaire studies’ zou zijn. De vrijheid waar het hier om gaat is uiteraard niet om het even welke vrijheid (vrijheid is in strijd met de willekeur van het om het even wat): wie een onschuldige vrijheid claimt, laat de aangeleerde, stereotiepe cultuur terugkeren (het spontane is het onmiddellijke veld van wat al eerder is gezegd) – hetgeen onherroepelijk zou leiden tot de terugkeer van het betekende [le signifié]. De vrijheid die in dit nummer ten tonele wordt gevoerd is de vrijheid van de betekenaar [le signifiant]: de terugkeer van woorden, woordspelletjes, eigennamen, citaten, etymologieën, vormen van reflexief discours, vormen van lay-out, van wit, van combinatoriek, van taalweigering. Die vrijheid moet een virtuositeit zijn: de vrijheid waardoor je in de primaire tekst, hoe oud ook, eindelijk het devies van elk schrijven kunt lezen: er zit beweging in.

 

***

 

Interdisciplinariteit, waar tegenwoordig zo veel om te doen is, ligt niet in het tegenover elkaar stellen van reeds bestaande disciplines (geen enkele daarvan geeft zichzelf immers vrijwillig over). Om aan interdisciplinariteit te doen, volstaat het niet een ‘onderwerp’ (een thema) te nemen en daar een paar takken van wetenschap bij te halen. Interdisciplinariteit bestaat erin een nieuw object, dat aan niemand toebehoort, in het leven te roepen. De Tekst is, naar ik meen, zo’n object.

 

***

 

De semiotische arbeid die sinds een vijftiental jaar in Frankrijk is verricht, heeft namelijk een nieuw begrip naar voren geschoven waarmee we het begrip ‘(kunst)werk’ geleidelijk aan moeten vervangen: de Tekst. De Tekst – die we niet kunnen beperken tot het traditionele domein van de ‘Literatuur’ – heeft door een aantal baanbrekende geschriften een theoretische grondslag gekregen: de Tekst is begonnen als theorie. De studies (je zou willen zeggen: de getuigenissen) die hier zijn verzameld, beantwoorden aan het moment waarop de theorie zich moet opsplitsen in afzonderlijke onderzoeksprojecten. Wat hier op de voorgrond wordt geplaatst, is de overgang van theorie naar onderzoek: deze artikelen slaan stuk voor stuk op een bijzondere, contingente tekst, die tot de historische cultuur behoort, maar ze vloeien eveneens stuk voor stuk voort uit die voorafgaande theorie of uit de analysemethoden die eraan ten grondslag hebben gelegen.

 

***

 

Op het gebied van de ‘letteren’ voert de reflectie over wat onderzoek is tot de Tekst (of althans, laten we vandaag aannemen dat reflectie daar vrijelijk toe kan voeren): de Tekst is dus, evengoed als het onderzoek, het onderwerp van dit nummer.

De Tekst: laten we dat enkelvoud en die hoofdletter niet verkeerd begrijpen. Wanneer we de Tekst zeggen, is dat niet om die te verheerlijken, er de godheid van een nieuwe mystiek van te maken, maar om een massa of een veld aan te duiden dat ons dwingt ons partitief en niet numeratief uit te drukken: alles wat we over een werk kunnen zeggen, is dat er (een zekere mate van) Tekst in zit. Anders gezegd, wanneer we van tekst overgaan op Tekst, moeten we de nummering wijzigen; enerzijds is de Tekst geen object dat zich leent voor berekening, het is een methodologisch veld waarin het verwoorde en de verwoording, het becommentarieerde en het becommentariërende, elkaar achtervolgen, conform een beweging die eerder ‘einsteiniaans’ dan ‘newtoniaans’ is; anderzijds is de Tekst niet noodzakelijkerwijs exclusief modern: er kan een zekere mate van Tekst zitten in oude literaire werken; en juist de aanwezigheid van die niet te kwantificeren kiem dwingt ons de oude scheidslijnen van de literatuurgeschiedenis te vertroebelen, achter ons te laten; een van de onmiddellijke, evidente taken van het jonge onderzoek is om over te gaan tot dergelijke schrijfmetingen, om te inventariseren wat er aan Tekst zit in Diderot, in Chateaubriand, in Flaubert, in Gide – dat is wat veel van de hier verzamelde auteurs doen; zoals een hunner zegt, die daarmee ook impliciet uit naam van verscheidene anderen spreekt: ‘Misschien bestaat ons werk alleen maar uit het inventariseren van schrijfflarden die we halen uit een spreken waarvoor nog steeds de Vader zich garant stelt’. Beter kan niet worden gedefinieerd wat – in een oud literair werk – Literatuur is en wat Tekst is. Anders gezegd: hoe kan dat werk uit het verleden nu nog worden gelezen? We moeten deze jonge onderzoekers nageven dat ze hun arbeid verheffen tot een kritische taak: de actuele evaluatie van een voorbije cultuur.

 

***

 

Al deze studies vormen een collectief gebaar: wat hier beetje bij beetje wordt afgebakend en ingekleurd is het territorium van de Tekst. Laten we een ogenblik van artikel naar artikel die gemeenschappelijke hand volgen, die niet zozeer een definitie van de Tekst schrijft (die is er niet: de Tekst is geen concept), maar beschrijft wat de schrijfpraktijk inhoudt.

Allereerst dit, wat noodzakelijk is om de waaier aan artikelen die hier zijn gebundeld te begrijpen en te aanvaarden: de Tekst onttrekt zich aan elke culturele typologie: wie het grenzeloze karakter van een literair werk laat zien, maakt er een tekst van; al begint de reflectie over de Tekst bij de literatuur (oftewel bij een door de institutie tot stand gebracht object), daartoe beperkt de Tekst zich niet noodzakelijkerwijs; overal waar een betekenisgevende activiteit in scène wordt gezet volgens regels van combinatie, transformatie en verplaatsing, is er Tekst: in geschreven producties, uiteraard, maar ook in het spel met beelden, tekens en voorwerpen: in films, in strips, in rituele voorwerpen.

Vervolgens dit: als ontplooiing van de betekenaar is de Tekst vaak in een dramatisch debat verwikkeld met het betekende, dat de neiging heeft op de betekenaar terug te werken; als de Tekst zwicht voor die terugwerkende kracht, als het betekende triomfeert, is de tekst niet langer Tekst, dan is in hem het stereotype niet meer het ludieke object van een secundaire combinatoriek, maar wordt het tot ‘waarheid’. Het is dus logisch dat de Tekst de persoon door wie hij tot stand wordt gebracht betrekt in wat we een schrijfdrama kunnen noemen […], of de persoon door wie hij wordt gelezen betrekt in een voorafgaande kritische evaluatie […].

En ten slotte is de Tekst voor alles (of na alles) het langdurige proces waarin een auteur (het subject van de enunciatie) het onherleidbare van zijn of haar spreken ontdekt (of door de lezer laat ontdekken) en erin slaagt ik praat in te ruilen voor het praat. Kennis hebben van het imaginaire van de expressie, maakt het tot iets ledigs, want het imaginaire is miskenning; verschillende studies proberen hier scherp te stellen op het imaginaire van het schrijven […], dan wel op het imaginaire van de onderzoeker […].

De opzet is niet dat deze uiteenlopende ‘gezichtspunten’ bijdragen aan het afbakenen van wat de Tekst is; eerder stelt zich het nummer het ontvouwen van de Tekst ten doel. We moeten dus weerstand bieden aan de neiging deze studies te willen ordenen of te willen onderbrengen in een programma; hun schrijftrant blijft zeer divers (tot mijn spijt moest ik erkennen dat het nodig was dit nummer in te leiden, al loop ik nu het risico dat ik het een eenheid geef waarin niet iedereen die eraan heeft bijgedragen zich noodzakelijkerwijs zal herkennen, en dat ik elk van hen een stem verleen die misschien niet helemaal de hunne is: elke inleiding, vanwege de bedoeling tot synthese, is tot op zekere hoogte een concessie aan het eerdere discours). Wat je zou willen is dat op elk moment in dit nummer, los van wat eraan voorafgaat en wat erop volgt, het onderzoek, het jonge onderzoek dat hier wordt verwoord, overkomt als de onthulling van bepaalde structuren van enunciatie (al worden die nog geanalyseerd in de simpele taal van een uiteenzetting) en tegelijk als de kritiek (de zelfkritiek) van elke enunciatie; juist op het moment dat het onderzoek het onderzoeksobject weet te verbinden met het eigen discours en onze kennis van haar vanzelfsprekendheid weet te ontdoen door het licht dat het werpt op objecten die beter dan onbekend – die onverwacht zijn, juist op dat moment wordt het een waarachtig gesprek tussen partners, een arbeid voor anderen, in één woord:  een maatschappelijk product.

  • Roland Barthes, ‘Jeunes chercheurs’, Communications, nr. 19, 1972, pp. 1-5. Ook opgenomen in: Roland Barthes, Oeuvres complètes. Tome IV (1972-1976), Parijs, Seuil, 2002, pp. 126-132. © Éditions du Seuil, 2002. Vertaling uit het Frans: Rokus Hofstede, in: De Witte Raaf nr. 196, nov-dec 2018.
Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.