De inkomenspositie van literair vertalers in Europa

‘The most depressing study about translation I’ve ever heard about.’ In die termen kwalificeert de befaamde Chad Post op zijn weblog ‘Three Percent’ het vergelijkende onderzoek naar de inkomenspositie van literair vertalers in Europa dat ik samen met Holger Fock en Alena Lhotová heb uitgevoerd namens de Europese vertalersraad CEATL (Conseil européen des associations de traducteurs littéraires). Inderdaad zijn de conclusies moeilijk anders dan onthutsend te noemen. In geen enkel Europees land kunnen literair vertalers op een fatsoenlijke manier rondkomen van hun beroep – met alle gevolgen van dien voor de vertalers zelf en de kwaliteit van hun werk.

De inkomenspositie van literair vertalers uit drieëntwintig landen en regio’s vergelijken (we hebben ons noodgedwongen beperkt tot landen en regio’s waarvan de vertalersverenigingen lid zijn van de CEATL) is niet eenvoudig. Niet alleen de contracten en de honorering lopen ver uiteen, maar ook zaken als leenrecht, subsidies, belastingen, sociale lasten en kosten van levensonderhoud. Al die factoren, waarover de aangesloten vertalersverenigingen ons informatie hebben verstrekt aan de hand van een gedetailleerde vragenlijst, zijn meegewogen in het onderzoek, dat dan ook onmogelijk in een paar bladzijden kan worden samengevat. Maar iedereen kan het zelf lezen, het is ideale nachtkastjeslectuur, en ik wil me dus liever beperken tot tien opmerkelijke constateringen en drie belangrijke conclusies.

Eerste constatering: de definitie van het begrip ‘literair vertaler’ is niet eenduidig. In Nederland hebben het modelcontract en het werkbeurzensysteem een scherpe hiërarchische scheiding tussen ‘literaire’ en ‘niet-literaire’ boekvertalers gecreëerd, maar in de meeste landen (bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk) wordt met de term ‘literair vertaler’ elke vertaler van auteursrechtelijk beschermde werken aangeduid, inclusief ontspanningslectuur en alle mogelijke non-fictiegenres. Alleen al als literatuursociologisch gegeven is dat verschil erg interessant, want het hangt natuurlijk nauw samen met de manier waarop de ‘markt’ functioneert. Voor ons onderzoek betekent het praktisch gezien dat we eigenlijk appels met peren hebben vergeleken (of liever gezegd appels met goudrenetten). Dat is niet zo heel erg, want de grote tendensen op Europees niveau zijn toch wel duidelijk. Niettemin is het een beetje gênant dat in Nederland, het land met verreweg de grootste subsidiepot voor vertalers, nauwelijks iets bekend is over de situatie van de ‘niet-literaire’ boekvertalers.

Tweede constatering: in meer dan de helft van de vergeleken landen en regio’s bestaan weinig of geen professionele literair vertalers. Daarvoor zijn twee in het oog springende redenen. In een aantal landen (Engeland, Ierland, Franstalig België, Zwitserland) zijn de tarieven in principe hoog genoeg om als fulltime vertaler (krap) van te kunnen leven, maar is er domweg te weinig werk omdat er te weinig vertalingen worden gepubliceerd; in een aantal andere landen (met name in Zuid- en Oost-Europa) zijn de tarieven zo laag dat er niet van te leven valt, vertalen is daar dus wat het overal in Europa eeuwenlang is geweest: een leuke hobby voor mensen met een andere inkomstenbron. Om ook die landen in de algemene vergelijking te kunnen betrekken, hebben we daar berekend wat een hypothetische fulltime vertaler zou verdienen.

Derde constatering: het aandeel vertalingen op de totale boekproductie loopt per land ver uiteen. Een paar veelzeggende cijfers: in Engeland zijn 3% van alle boeken vertalingen, in Duitsland 7,2%, in Frankrijk 14,4%, in Nederland 36%, in Denemarken 60%. Voor fictie liggen de percentages over het algemeen hoger: Duitsland 21,5%, Frankrijk 41,4%, Nederland 67%, Tsjechië en Slowakije zelfs 80%. In absolute cijfers verschijnen er jaarlijks meer vertalingen in Nederland (4400) dan in Engeland (3750), meer in Tsjechië (6000) dan in Frankrijk (5760) en meer in Italië (13100) dan in Duitsland (6800), met Spanje als Europees kampioen (21000). In het algemeen geldt hier de sociologische wet (uitgebreid beschreven door Johan Heilbron) dat er in een taal verhoudingsgewijs minder vertalingen verschijnen naarmate die taal een sterkere machtspositie in het wereldtalenstelsel heeft, en vice versa: in kleinere landen, die noodgedwongen internationaler georiënteerd zijn, verschijnen meer vertalingen dan in grotere. Eenzelfde evenredigheidsrelatie valt overigens te constateren bij het aandeel van de talen waaruit wordt vertaald. Ter indicatie: in Nederland is 75% van alle vertalingen afkomstig uit het Engels (allemaal boeken die niet in het Engels hoeven te worden vertaald; zou het aanbod aan vertalingen in Engeland dan toch diverser zijn dan bij ons?). Er wordt in Europa nauwelijks vertaald van kleine taal naar kleine taal.

Vierde constatering: niet alleen de vertaaltarieven lopen sterk uiteen, maar ook de manier van berekenen. In Nederland en Vlaanderen worden vertalers betaald op grond van het aantal woorden van de brontekst. Daarmee zijn wij in Europa een grote uitzondering (samen met Engeland en sinds kort Spanje). Overal elders wordt het basishonorarium berekend op grond van het aantal aanslagen in de doeltekst: hetzij door in Word gewoon het aantal tekens inclusief spaties te tellen, hetzij door de tekst in een standaardformat te gieten en dan het aantal pagina’s te tellen (waarbij de witruimtes dus in het voordeel van de vertaler werken). Bij het omrekenen van al die gegevens naar een gemeenschappelijke noemer zijn we uitgegaan van gemiddelden. Nederland blijkt dan een bescheiden middenmoter: omgerekend komt ons woordtarief op zo’n 20 euro per 1800 aanslagen uit, wat vergeleken met het gemiddelde in Frankrijk (31 euro), Noorwegen (31 euro), Zweden (27,50 euro) en Duitsland (22 euro) aan de lage kant is, het laagste tarief van de rijkere landen. Maar het kan uiteraard nog veel erger, getuige de cijfers voor Spanje (13,50 euro), Italie (11,35 euro), Litouwen (5,65 euro) en Tsjechië (5,50 euro).

Vijfde constatering: op contractgebied geldt de wet van de jungle. Contractvrijheid is een fundamenteel democratisch principe, maar het grote probleem is dat uitgevers een veel sterkere onderhandelingspositie hebben dan individuele vertalers: in verreweg de meeste landen worden de contracten domweg door de uitgever aan de vertaler gedicteerd, zelfs als er in theorie een modelcontract bestaat. En elk land kent natuurlijk zijn eigen (vooral slechte) tradities: in Litouwen wordt de vertaler pas betaald als het boek verschenen is (jammer dan als het pas drie jaar later verschijnt, of helemaal niet), in Italië moet de vertaler tegen een lachwekkend laag lumpsummetje afstand doen van al zijn rechten. De belangrijkste reden van dit alles is waarschijnlijk het grote gebrek aan inzicht, zowel bij uitgevers als bij vertalers, in de auteursrechtelijke positie van de literair vertaler als maker van een oorspronkelijk werk (wat hij is volgens de Berner Conventie) en dus als rechthebbende. De UNESCO-aanbeveling (Nairobi, 1976) ter versterking van de wettelijke en sociaal-economische positie van de vertaler is ook in het rijke West-Europa nog verre van volledig geïmplementeerd.

Zesde constatering: royalty’s zijn non-existent of verwaarloosbaar. Dit hangt nauw samen met het vorige punt: als de literair vertaler niet wordt gezien als maker van een oorspronkelijk werk, maar als een tekstbedrijfje dat diensten verricht tegen betaling (‘work for hire’), zijn royalty’s uiteraard onzinnig. Niet alleen veel uitgevers denken er uit eigenbelang of onwetendheid zo over: geef het aantal literair vertalers maar eens de kost dat liever een iets hoger basishonorarium heeft dan aanspraak te maken op een eventueel aandeel in de opbrengst van hun werk. In de praktijk zijn er maar een paar landen waar vertalers royalty’s krijgen, meestal pas wanneer het boek een echte bestseller is, en dan nog vrij lage percentages (tussen de 0,2% en de 2%): Duitsland, Engeland, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk, Spanje en Zwitserland. Overigens zijn in sommige landen (bijvoorbeeld in Scandinavië) de oplagen vaak zo klein dat het hele idee van aandeel in de opbrengst daar nauwelijks speelt – misschien wel ten onrechte, want ook daar willen de uitgevers tenslotte winst maken, en ook symbolisch gezien hebben literair vertalers belang bij een royaltyregeling die hun status van auteurs bevestigt.

Zevende constatering: de collectief beheerde rechten voegen vooralsnog weinig toe aan het inkomen van literair vertalers. Zelfs in Nederland, waar we een van de allerbeste leenrechtsystemen van Europa hebben, zijn de inkomsten voor literair vertalers (in engere zin) gering – hoewel de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze hoog kunnen oplopen voor vertalers van bijvoorbeeld thrillers (die in andere landen wel als literair vertalers worden beschouwd). Voor EU-lidstaten is het hebben van een leenrechtstelsel verplicht, het probleem is alleen dat de invulling van die verplichting volledig aan de lidstaten wordt overgelaten, met als gevolg dat auteurs afhankelijk zijn van de goede wil van hun eigen regering. In Frankrijk schijnt het nieuwe leenrechtstelsel, waaruit ook al de helft van de aanvullende pensioenen wordt gesubsidieerd, literair vertalers inmiddels geen onaanzienlijke bedragen op te leveren, maar die gegevens zijn nog niet verwerkt in het onderzoek (dat betrekking heeft op de jaren 2005-2006). Nergens in Europa voegen de collectief beheerde rechten vooralsnog veel toe aan het inkomen van literair vertalers, met één belangrijke uitzondering: in de Scandinavische landen is sprake van een ‘extended collective licence’ waaruit werkbeurzen en pensioenen voor vertalers worden betaald. Wat me brengt bij de

Achtste constatering: in maar weinig landen bestaan subsidieregelingen voor vertalers. Wel bestaan er veel nationale fondsen zoals het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, die ‘vertaalsubsidies’ verstrekken aan buitenlandse uitgevers, waar vertalers alleen indirect van profiteren omdat er daardoor meer werk is. Veel beleidsmakers, zowel bij de Europese Commissie als in de lidstaten, begrijpen het verschil tussen vertaalsubsidies (bedoeld om het aanbod te beïnvloeden) en vertalerssubsidies (bedoeld om vertaalkwaliteit te bevorderen) niet eens. In feite bestaan er behalve in Nederland en Vlaanderen alleen in de Scandinavische landen echt structurele werkbeursregelingen. Ons eigen Fonds voor de Letteren is met zijn vertalersbudget van bijna twee miljoen euro per jaar verreweg de grootste Europese werkbeurzenverstrekker van Europa, en met kennelijk succes, want de gemiddelde output van gesubsidieerde Nederlandse vertalers is aanzienlijk lager dan die van vertalers in andere landen (in Spanje vertaalt een literair vertaler in dezelfde tijd ongeveer twee keer zoveel). Overigens komt een gesubsidieerde Nederlandse vertaler gemiddeld nog altijd maar op een belastbaar inkomen van 19.000 euro. De voornaamste subsidiebron voor het vertaalde boek is de vertaler zelf.

Negende constatering: ook de belasting- en socialezekerheidsstelsels lopen ver uiteen. Dat maakt het vergelijken van de inkomenspositie van literair vertalers erg moeilijk, maar we hebben geprobeerd alle relevante factoren in kaart te brengen: btw, inkomstenbelasting, ziektekostenpremie, pensioenopbouw. In landen met hoge sociale lasten hoeven zelfstandigen uiteraard minder privéverzekeringen af te sluiten, en ook dat effect hebben we meegewogen. Het ware vertaalparadijs lijkt Ierland te zijn, waar literair vertalers als kunstenaars vrijgesteld zijn van inkomstenbelasting, btw en pensioenpremies, maar wel recht hebben op een staatspensioen van zo’n 10.000 euro per jaar; ook het vertaaltarief is er hoog (gemiddeld anderhalf keer zo hoog als in Nederland), alleen worden er helaas nauwelijks vertaalde boeken uitgegeven… Met de gevolgen van de financiële crisis is uiteraard nog geen rekening gehouden.

Tiende constatering: het inkomen van literair vertalers blijft in bijna alle landen ver achter bij dat van een gemiddelde fabrieksarbeider. Waarbij bovendien opgemerkt moet worden dat een literair vertaler geen cao heeft en in veel gevallen zestig of meer uur per week moet werken om het vermelde inkomen te halen. Percentueel afgezet tegen het gemiddelde bruto inkomen van werknemers in de industriële en dienstensector bedraagt het bruto inkomen van literair vertalers (= omzet minus bedrijfskosten) voor de belangrijkste West- en Zuid-Europese landen gemiddeld als volgt: Frankrijk 83%, Spanje 77%, Zweden 70%, Noorwegen 62%, Nederland 61%, Finland 44%, Duitsland 44%, Griekenland 44%, Italië 40%. Ook het netto inkomen hebben we bekeken. Omdat het prijspeil en de levensstandaard in de desbetreffende landen uiteindelijk bepalen wat dat inkomen echt waard is, hebben we het afgezet tegen het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking in koopkrachtstandaard (bbp/kks, waarbij kks een fictieve euro is die overal dezelfde waarde heeft); dat levert geen absolute cijfers op (in de trant van: een vertaler verdient gemiddeld x% van het modale netto inkomen), maar wel een betrouwbare relatieve indicatie. Zie onderstaande tabel. De eerste cijferkolom bevat het gemiddelde netto inkomen van een (al dan niet hypothetische) fulltime literair vertaler, de tweede het bbp/kks (hoe hoger het getal, hoe hoger de levensstandaard), de derde de verhouding tussen de eerste twee (hoe hoger het getal, hoe beter de relatieve inkomenspositie van de literair vertaler ten opzichte van de landelijke situatie).

CEATL translators' income

In Ierland, Engeland, Zwitserland en Franstalig België bestaan door het lage percentage vertalingen nauwelijks professionele literair vertalers. Van de landen waar die wel bestaan is Frankrijk de duidelijke koploper, gevolgd door Zweden, Kroatië, Noorwegen en Denemarken. Nederland komt op de zesde plaats, vóór Duitsland. Onder aan de lijst bungelen de landen en regio’s waar het vrijwel onmogelijk is om als professioneel vertaler rond te komen. Overigens zijn de verschillen in levensstandaard natuurlijk ook bijzonder groot: een Nederlandse vertaler mag dan volgens deze tabel verhoudingsgewijs minder verdienen dan een Kroatische, zijn absolute koopkracht is nog altijd veel groter.

Eerste conclusie: door de slechte inkomenspositie van de Europese literair vertalers staat de vertaalkwaliteit zwaar onder druk. Of zoals de CEATL schreef in het persbericht waarmee de publicatie van het onderzoek wereldkundig werd gemaakt: ‘Nergens in Europa kunnen boekvertalers normaal rondkomen van hun beroep onder de omstandigheden die “de markt” hun oplegt […]. In een werelddeel dat zich graag als ontwikkeld, pluriform en meertalig presenteert is dit niet alleen een ernstig sociaal probleem, maar ook een ernstig artistiek en cultureel probleem. Wat zijn de gevolgen voor de kwaliteit als vertalers hun werk moeten afraffelen om brood op de plank te krijgen?’ Het antwoord moge duidelijk zijn: die gevolgen zijn zeer kwalijk. Ook schrijvers en beeldend kunstenaars verdienen vaak heel weinig met hun werk, maar er is één groot verschil: zij werken meestal niet in opdracht en met absurde deadlines. Opdracht: maak binnen een onmogelijke termijn en tegen een vergoeding waar je niet of nauwelijks van kunt leven een prachtige vertaling die de oorspronkelijke tekst in alle opzichten recht doet.

Tweede conclusie: het nationale en Europese vertaalbeleid zou zich niet alleen op het aanbod, maar ook op de makers moeten richten. Het bevorderen van diversiteit in het aanbod heeft weinig zin als vertalers hun werk moeten afraffelen: het beeld dat we via vertalingen voorgeschoteld krijgen van elkaars literatuur en cultuur is dan hoogstwaarschijnlijk bijzonder onscherp en vervormd. Overigens moet ook het auteurschap van de literair vertaler veel serieuzer worden genomen dan nu vaak gebeurt, want het feit dat vertalers iets veranderen aan wat ze doorgeven, iets creëren wat er voorheen niet was, is geen betreurenswaardig bijverschijnsel, maar de kern van het hele proces van culturele uitwisseling. Het leren kennen van andermans cultuur blijft nooit beperkt tot pure informatieoverdracht, maar neemt altijd de vorm aan van een transformatie. Elke overheid die serieuze cultuurpolitiek wil bedrijven, zal zich dus behalve op het wat ook op het hoe moeten richten, met alles wat daarvoor nodig is: betere opleiding, versterking van de culturele en financiële positie van de vertaler, steun aan vertalershuizen enzovoort.

Derde conclusie: Nederland mag dan in veel opzichten (modelcontract, werkbeurzenstelsel, leenrecht) een lichtend voorbeeld in Europa zijn, we kunnen nog altijd leren van andere landen. Of liever gezegd, onze sterke punten brengen ook zwakke punten met zich mee. Het voornaamste daarvan is ongetwijfeld het onderscheid tussen ‘literaire’ en ‘niet-literaire’ vertalingen, dat bepalend is voor zowel de werkingssfeer van het modelcontract als voor het werkbeurzenstelsel, die in feite twee zijden van dezelfde gouden medaille vormen. Dat onderscheid is historisch gezien goed verklaarbaar: de (in engere zin) literaire beroepsvereniging VvL, mede-opsteller van het modelcontract, heeft ook een grote rol gespeeld in de vroege ontwikkeling van het Fonds voor de Letteren, en het is dan ook niet verbazingwekkend dat het werkbeurzenstelsel helemaal is toegesneden op bellettrie. Subsidies houden het vertaaltarief kunstmatig laag (het minimumtarief, waarmee we in Europa aan de lage kant zitten, is in de praktijk ook meteen maximumtarief), niet alleen voor vertalers van bellettrie maar ook voor hun niet-gesubsidieerde collega’s, die toch al veel zwakker staan omdat ze geen vanzelfsprekend recht op het modelcontract kunnen doen gelden. Met name bij vertalingen van kwaliteits-non-fictie, die qua moeilijkheidsgraad en tijdsinvestering vaak niet onderdoen voor moeilijke literaire teksten, is dat een probleem. Zowel voor de VvL als voor het Fonds is daar dus een belangrijke taak weggelegd (waarmee in het recente vertaalpleidooi Overigens schitterend vertaald een begin is gemaakt). Hoe dan ook zou een gedegen onderzoek naar de situatie in het hele veld zeer welkom zijn, want over de werkomstandigheden van ‘niet-literaire’ boekvertalers is nauwelijks informatie beschikbaar.

Voor de CEATL is dit vergelijkende onderzoek het begin geweest van een veel actievere opstelling naar de Europese instituties toe. Het is belangrijk dat de stem van literair vertalers ook op internationaal niveau wordt gehoord. Maar de ware revolutie kan zoals altijd alleen maar plaatsvinden in het klein, dat wil zeggen bij de vertalers zelf. Pas als zij weigeren slecht werk af te leveren tegen slechte condities, kan er iets aan de situatie veranderen. Wordt vervolgd.

[Verschenen in Filter 16:2, juni 2009, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email