‘Ik moet het weifelend wezen dat ik ben, stutten door welsprekendheid’: Herman Teirlinck

De lievelingsschrijver is een eenmanscategorie die veel wegheeft van de vriend. Aan mijn lievelingsschrijver denk ik in het vocabulaire van de vriendschap, ik schep graag op over zijn in het oog lopende kwaliteiten en reageer op zijn niet minder in het oog lopende tekortkomingen met vergoelijkend gniffelen of hoofdschuddend mededogen. Het is alsof de innige band die ik met hem heb teruggaat op een persoonlijke ontmoeting, hoewel hij stierf toen ik amper kon lezen en ik hem als persoon hoogstwaarschijnlijk een irritante ijdeltuit zou hebben gevonden. Toch delen we, als vrienden, een verknochtheid aan bepaalde manieren van praten, een paar geografische toevalligheden en een zeker gevoelsregister – woorden, oorden en vrouwen.

Het ivoren aapje, p. 199: ‘Hoe wonderlijk, Milly, gij zijt nu wezenlijk een heerlijk beeld van achterdocht, en uwe zwarte haren zijn de duistere hemels der toekomst…’ Hij lachte en praatte zeer opgeruimd voort. Hij bracht haar thuis, in de dreef van Tervuren, en reed nadien de stad weer in. Op de Begijnhofplaats deed hij stilaan en sprong uit het rijtuig. Hij streelde een ivoren aapje onder de pelsen voering van zijn breeden mantel, eenvormig in zijne linkerhand.’

In Antiquariaat Het Ivoren Aapje, aan het Begijnhofplein, pleisterplaats voor Brusselse letterlievenden, kocht ik een paar jaar geleden voor een zacht prijsje het Verzameld Werk van Herman Teirlinck. Frederik Deflo, de antiquaar, had met suggestieve stiltes gesproken over de koudbloedige, satanische Sörge uit Het ivoren aapje en de warmbloedige, heerszuchtige Maria uit Maria Speermalie. Het ivoren aapje kende ik, ik had de roman begin jaren ’80 in Groningen gelezen, vergeefs op zoek naar een teken van herkenning van de stad waar ik een tamelijk rampzalig verlopen adolescentie had doorgemaakt. ‘Te veel volzinnen. Te veel woordkunst. Overladen sentimentaliteit. Struktuurloos verhaal.’ staat nog steeds achter in de salamanderpocket waarin ik het toen las. Maar eind jaren ’90 gaf ik, ouder en grijzer geworden, Brussel een tweede kans, en ik besloot ook Teirlinck een tweede kans te geven. Ik had me laten inpalmen door de aanstekelijke belezenheid van een minzame boekhandelaar, die met enig ceremonieel tastte naar de negen zwarte delen op hun bovenste plank en ze voor zich op tafel deponeerde, alsof hij ze bij wijze van gunst afstond uit zijn persoonlijke boekerij. Teirlincks werk ‘leefde, al zittend, een leven dat de toets van levende handen lokte’, het had de tijd getrotseerd en heette mij welkom.

Sindsdien is Teirlinck mijn lievelingsschrijver. Uiteraard zou ik willen geloven dat hij die status niet te danken heeft aan zijn canonisering als een van de klassieke Nederlandstalige auteurs van de twintigste eeuw, maar aan redenen die alleen voor mij persoonlijk gelden. Wat mij in zijn werk aantrekt is in elk geval niet zijn compositorische vernuft, zijn veelgeroemde psychologische scherpzinnigheid of zijn evocatief vermogen – en ook zijn strijd voor de modernisering van het Vlaamse toneel, zijn lof en defensie van het nationaal bier en zijn niet aflatende inzet voor de verheffing van het Vlaamse volksdeel zijn niet echt aan mij besteed.

Talige mengelamangel

Fascinerend in Teirlinck vind ik allereerst zijn retorische vermogen en ritmische zwier. Weinig Nederlandstalige schrijvers weten hun lezer zo dwingend in te spinnen in de cadans van de schone stijl – zijn fabelachtige beheersing van de prosodie maken zijn werk vanuit hedendaags oogpunt sowieso tot iets buitenissigs. Teirlinck op zijn best wekt de roes van poëzie, hij galmt en vibreert, hij nodigt uit tot memoriseren en declameren. Ik bezit een exemplaar van Zelfportret of het galgemaal dat een wandelvakantie in de Pyreneeën heeft overleefd, en waaruit mijn wandelgezel en ik elkaar zinnen voordroegen die ons als mantra’s voortdreven, de bergen over. Sommige ervan kan ik nog steeds op ieder gewenst moment oprakelen wanneer ik mijzelf, als een tweede Henri, moed wil inspreken. ‘Vandaag, vandaag schijnt ge u van troebele bemoeiingen te hebben losgemaakt. Ge zijt niet gelouterd, maar ge zijt tot op zekere hoogte, dunkt u, tot loutering bekwaam.’ ‘Misschien snakt ge naar de zure smaak van een onbekende beproeving.’ ‘Maar ge bijt alle braking dapper van u af.’ ‘Deze tijd wordt niet aan vratige hoogmoed of listige ikzucht prijsgegeven. Hij stemt tot gehoorzaamheid aan de adem die onze klei heeft bezield.’

Teirlincks hoogstpersoonlijke versie van het Nederlands klinkt me in de oren als een voortdurende belofte van wat onze taal vermag. Zijn proza is rekbaar, wendbaar, extravagant, zo gemaniëreerd dat het mij regelmatig in een vreemde taal geschreven lijkt. Die karakteristieke geaffecteerdheid is al aanwezig in zijn vroegste teksten, geschreven vóór 1900, en bereikt een climax in de zogeheten vitalistische romans uit de jaren ’30, ’40 en ‘50. In het Zelfportret, dat late hoogtepunt uit 1956, is de stijl weer afgemetener en minder galmend, maar hij draagt toch het onmiskenbare stempel van de Teirlinckse retoriek. Omdat zijn taalgebruik in de loop van zijn schrijverscarrière dat retorische gewaad nooit heeft afgelegd, heeft het zich steeds verder verwijderd van de spreektaal. Een – anekdotische – illustratie van die afstand tussen schrijftaal en spreektaal trof ik aan in het Archief en Museum van het Vlaams Leven te Brussel, waar een radiotoespraak van Teirlinck uit 1956 over architect en Van Nu-en-Strakser Henri van de Velde te beluisteren valt. Zijn stem klinkt daar plechtig en nasaal, hij spreekt met een Frans accent, verzuimt de h’s te aspireren (‘de tweede elft der vorige eeuw’), legt klemtonen verkeerd (‘ophéfmakende beschouwingen’). Ofschoon hij naar verluidt in zijn kinderjaren het Zuidoost-Vlaamse dialect heeft geleerd, spreekt hij het Nederlands uit als een op latere leeftijd aangeleerde, tweede taal.

Teirlinck schrijft boekentaal. In die taal zijn uiteenlopende invloeden merkbaar. Er is, zeker in het vroege werk, een notoire influx van Oost-Vlaamse en Brabantse woordenschat, maar over de hele linie is zijn proza zeker geen dialectisch afkooksel, zoals bij sommige andere Vlaamse schrijvers, en in elk geval heeft het weinig van de spreekwoordelijke sappigheid die Noorderlingen nogal schijnt te charmeren wanneer ze dialect lezen bij Boon, Claus of Pleyzier. Ook de woordkunst beoefend door de hogelijk bewonderde Nederlandse schrijvers uit de Beweging van Tachtig, Lodewijck van Deyssel voorop, heeft zijn sporen in Teirlincks proza nagelaten. Zijn hele loopbaan door behoudt hij zekere archaïsche, geaffecteerde reflexen – vingers zijn bij hem steevast ‘vingeren’. En ten slotte is de Franse literatuur voor Teirlinck maatgevend geweest. Gevoegd bij de sluipende invloed van het zich gestaag verfransende Brussel, waaraan hij, die het Frans uitmuntend sprak en schreef, zich waarschijnlijk niet helemaal heeft kunnen onttrekken, geeft dat zijn boeken in woordkeus en zinsbouw een gallicistische ondertoon, die zeker bijdraagt tot de stijfdeftigheid die zijn werk voor de hedendaagse lezer bezit.

Dat Gallische element zal wel een van de achtergronden zijn van de affiniteit die ik voel met zijn maniëristische schriftuur. Een hang naar boekentaal is iets wat Teirlinck gemeen heeft met de meeste Franse schrijvers wier werk ik beroepshalve tracht te vernederlandsen. In het Frans heeft een eeuwenlange literaire traditie gezorgd voor veel autonomere literaire codes dan in het Nederlands. Gevolg daarvan is dat schrijvers er blootstaan aan stringentere stilistische dwangen en beperkingen, en in sterkere mate geacht worden zich te houden aan de canon van de beau style (hoewel de goede schrijvers zich daar uiteraard ook weer aan weten te onttrekken). Teirlinck lijkt zich die canon te hebben eigengemaakt; hij heeft onmiskenbaar een hang naar ‘schoonschrijverij’, naar literaire overdaad en gezwollenheid, die bijvoorbeeld ook tot uiting komt in de achteloze manier waarop hij Franse termen of zinswendingen door zijn Nederlands mengt. Mij prikkelt het exotisme dat het Teirlinckse ‘Hoog-Vlaams’ voor mij bezit om in mijn vertalingen de uithoeken van het Nederlands op te zoeken, alert te zijn op onvermoede retorische mogelijkheden en te morrelen aan het dwingende keurslijf van het Standaardnederlands. Ook een vertaler moet inbreken in zijn taal, moet reflexen en automatismen schuwen en de vrije ruimte zoeken waarin een idiosyncratische stijl opnieuw tot leven kan worden gewekt. Voor mij zijn Teirlincks gallicismen geen smet op de zuiverheid van onze taal, maar een verrijking van de talige mengelamangel waar elke schrijver die naam waardig zijn honing uit zuigt. Hoor bijvoorbeeld hoe hij in Rolande met de bles de Académie de Beauté beschrijft, een Parijse schoonheidssalon waarvan Rolande in Brussel een filiaal wil openen, en die ‘met al haar vakken staat voor de geleide of kunstmatige opdrijving van de sex-appeal’:

‘Ik denk aan de veelheid, de toerusting en de weelde van de salons en laboratoria: behandeling van de droge, vette en broze huiden, opfleuring van de teint, scheiding van sproeten, uitwassen, zwammen, wratten en rode uitschot, aanprikkeling van de bloedtoevoer, effening van rimpels en bobbels, verjonging van de halsspieren, smelting van kwabbels en hangkaken, opslorping van oogzakken, verheffing van wankele boezems, en resorptie van alle kwade vochten en humeuren.’

Resorptie van kwade vochten en humeuren, wie heeft daar geen behoefte aan?

Print Friendly, PDF & Email