De zichtbare vertaler 12: De wet van Verhoef

Een van de wat ludiekere aspecten van het professionele vertalerschap is zonder twijfel het onderhandelen over contracten. Sinds het bestaan van het onvolprezen modelcontract is de speelruimte uiteraard gering, maar dat maakt het er alleen maar ludieker op: hoe minder je te verliezen of te winnen hebt, hoe speelser het spel.

Het principe van onderhandelen is eenvoudig: de ene partij wil iets, de andere partij wil het niet en het spel kan beginnen. Meestal wil de uitgever iets en de vertaler niet, namelijk dat het manuscript wordt ingeleverd binnen een onmogelijke termijn. Maar dat verlangen kan de tegenpartij op zijn beurt doen verlangen naar een compensatie voor de gedorven vrije avonden, weekends en vakanties (het is altijd slim om te doen alsof je die gewoonlijk wel hebt), en zo tekent zich een krachtenspel af waarvan de uitkomst van tevoren allerminst vaststaat.

Het moet gezegd, veel uitgevers reageren wat onwennig of zelfs verstoord als ook de vertaler eisen stelt of wensen kenbaar maakt, en ik begrijp ze wel, want zowel uitgevers als vertalers ervaren het modelcontract doorgaans zozeer als een vanzelfsprekendheid dat elke extra wens, hoe bescheiden ook, algauw een onvergeeflijke vrijpostigheid lijkt: alsof je bij de bakker komt en niet alleen het brood moet betalen, maar als het even kan ook graag de zak waarin je het meekrijgt, plus de liefde waarmee het is gebakken op een tijdstip waarop een normaal mens nog knus onder de wol ligt. Het standaardargument tegen geuite vertalerswensen luidt dan ook: dat kunnen we niet doen, want dan gaat iedereen erom vragen. Of zelfs, oprecht goed bedoeld: dat is niet eerlijk ten opzichte van andere vertalers.

Op dit precieze moment van het spel treedt de wet van Verhoef (Rien) in werking: wie zich als een koelie gedraagt, moet niet gek opkijken wanneer hij als een koelie wordt behandeld. Tegen het standaardargument van de uitgever dient dan ook een krachtig tegenargument in stelling te worden gebracht, waarvan de formulering afhankelijk van de context kan variëren van een gulle schaterlach tot een geduldige uiteenzetting over het beginsel van contractvrijheid en de noodzaak van individuele afspraken voor individuele projecten van individuele vertalers met individuele kwaliteiten. En de uitgevers beseffen het misschien niet, maar ze hebben zelf ook baat bij dat soort individuele afspraken – als ze tenminste belang hechten aan kwaliteit, want wie zijn opdrachtnemers als koelies behandelt, moet niet gek opkijken wanneer ze zich als koelies gedragen.

Daarom is individueel onderhandelen niet alleen goed voor lichaam en geest, maar ook voor onze hele vertaalcultuur. Naamsvermelding op het omslag, extra honorering voor tijdsdruk of research, verhoging van het aantal presentexemplaren, je kunt het zo gek niet bedenken of er valt over te praten. En hoe vaker dat gebeurt, hoe minder verwondering of wrevel het wekt. Het wordt tijd dat het modelcontract gaat functioneren zoals het bedoeld is, namelijk als een model in plaats van als een dictaat.

[VvL.nu 8 (voorjaar 2009), © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email