Negenennegentig dingen die ik het einde vind

  1. Allerlei kleine genoegens die in kitsch veranderen zodra je ze beschrijft (zie Philippe Delerm).
  2. In het donker door de heuvels van de Morvan naar huis rijden over de D980, die beter D960 had kunnen heten, naar Schuberts laatste pianosonate.
  3. De herinnering aan de ijskoude winter van 2003, toen we elke dag in slaapzakken naar het weerbericht van Arte keken.
  4. De vliegentapper van de tweetalige kleuter Nathalie.
  5. Onze buren hoger op de heuvel, die altijd thuis zijn en die we nooit horen.
  6. De bemoste appelbomen achter in de tuin.
  7. De inmiddels geasfalteerde appelboomgaard van mijn opa.
  8. Het hebben van een visueel geheugen (denk ik, want zelf ben ik zuiver auditief).
  9. De merkwaardige verhouding tussen onthouden en vergeten, beide even nuttig.
  10. Dezelfde weg als in 2, maar dan ’s ochtends vroeg en de andere kant op, keurig sneeuwvrij gehouden tot de departementsgrens (maar geen meter verder).
  11. De Winterreise in de vertolking van Peter Pears en Benjamin Britten.
  12. Herhalingspatronen in het algemeen, en in het bijzonder in de late pianosonates van Schubert.
  13. Opsommingen die de tijd in een andere dimensie verder laten gaan.
  14. De manier waarop A.F.Th. van der Heijden het oer-Hollandse realisme uitholt, oprekt en (in de breedte) van een poëtische dimensie voorziet.
  15. De naadloze, niet te lokaliseren overgang van werkelijkheid naar droom in Kundera’s Identiteit, waardoor de roman een veelheid van mogelijke romans wordt.
  16. De onontwarbare verstrengeling van ironie en ernst bij Houellebecq.
  17. Ironie die niet wordt gemarkeerd door een ironieteken of een smiley.
  18. Het besef dat humor een serieuze zaak is.
  19. Het besef dat je serieuze zaken nooit helemaal serieus moet nemen.
  20. De combinatie van overtuigingskracht en relativeringsvermogen.
  21. De briljante manier waarop Jacques Derrida in Limited Inc laat zien dat John Searle eigenlijk een SARL (Société à responsabilité limitée) is.
  22. Paul de Mans subtiele deconstructie van de esthetische ideologie, ongetwijfeld een verkapte vorm van zelfkritiek.
  23. De nietsontziende zelfanalyses van Benjamin Constant en de uitzonderlijk geserreerde stijl waarin hij ze neerschrijft.
  24. Zo weinig mogelijk woorden gebruiken om zo veel mogelijk te zeggen.
  25. Het Adagio uit Haydns symfonie 34 in d-mineur, dat met minimale middelen maximale zeggingskracht bereikt.
  26. De zkv’s van A.L. Snijders, mijn ontdekking van het jaar 2008, met dank aan Raster.
  27. Strakke Nederlandse vormgeving (zolang het geen woonwijken betreft).
  28. Genaaid gebrocheerde boeken: discrete echte luxe (in tegenstelling tot de protserige namaakluxe van ‘echt gebonden’ geplakte boeken).
  29. Al schrijvend ontdekken wat ik te zeggen heb.
  30. De orde die in mijn werk verschijnt als tegenwicht voor de chaos op mijn bureau.
  31. Het moment bij het maken van een vertaling waarop je ineens het gevoel hebt dat de woorden op eigen kracht verder kunnen.
  32. Mijn bureau opruimen na een langdurige klus.
  33. Het feit dat ik hopelijk nooit meer een boek van Michel Onfray zal hoeven te vertalen.
  34. De uitvinding van paracetamol.
  35. Overdag in bed liggen en niets doen.
  36. Het gevoel met één been in de wereld te staan en met het andere erbuiten.
  37. Het gevoel volledig in de wereld te staan.
  38. In een vreemde stad rondlopen zonder naar bezienswaardigheden of musea te gaan, puur om de sfeer te proeven.
  39. Istanbul, waar ik nodig nog eens naar terug moet.
  40. Landkaarten bestuderen als esthetische objecten.
  41. Langeafstandsbergwandelingen met rugzak en tent, al weet ik niet of het er ooit nog van zal komen.
  42. De poëzie van GPS: onvermoede routes ontdekken op vermeend bekend terrein.
  43. Het geluid van een ouderwetse trein op een ouderwetse spoorlijn, bijvoorbeeld tussen Moskou en Peking.
  44. Het zonovergoten station van Irkoetsk midden in de winter, dat als een bordkartonnen decor langs het perron stond.
  45. Dat Indiase restaurantje in Londen waar we zo lekker hebben gegeten.
  46. Goudse brokkelkaas.
  47. Eau-de-vie van bij dauw geplukte wilde frambozen (gekocht in Aurillac, nog nooit ergens anders gezien).
  48. Zelfgemaakte tagliatelle met zalm, room en dille.
  49. De Vlaamse, Bourgondische en Italiaanse levenskunst, misschien wel omdat ik zelf zo door en door protestants ben.
  50. Lasagne volgens beproefd huisrecept (beginnen met een laagje bechamelsaus!).
  51. Coq au vin volgens de barbaarse methode van Elisabeth Davis: de kip tijdens het inkoken van de saus uit de pan halen om hem mals te houden.
  52. De geruststellende wetenschap dat de kip van de dinosaurus afstamt.
  53. Het onlangs aangetoonde feit dat iedereen minstens drie keer per dag liegt, en sociaal vaardige mensen nog vaker.
  54. Een ijskoude duik in een zee van onbekende mensen.
  55. Tot de ontdekking komen dat het feest toch best leuk is.
  56. Het empirisch geleverde bewijs dat religieuze mensen dogmatischer zijn dan niet-religieuze mensen.
  57. Bijna alles van Bach (J.S.).
  58. De onaardse zuiverheid waarmee Andreas Scholl het Agnus Dei uit de Hohe Messe vertolkt (Herreweghe, Harmonia Mundi).
  59. Het piepende en krakende Leonhardt Baroque Ensemble dat de aangrijpende stem van Alfred Deller begeleidt in datzelfde Agnus Dei.
  60. Tien minuten clavecimbelmuziek per maand, bij wijze van mentale hygiëne.
  61. De altijd verrassende pianosonates van Joseph Haydn, exploderend op de pianoforte van Ronald Brautigam.
  62. De twee kreunende fagotten in het Quoniam tu solus sanctus, opnieuw in de Hohe Messe (Herreweghe, Virgin Classics).
  63. Schoonheid die is ingebed in lelijkheid.
  64. De oorlogssonates van Prokofiev: piano als percussie.
  65. De vervormende en toch gelijkende portretten van Francis Bacon.
  66. Bijna alles van Picasso.
  67. Schrijvers die de taal verdedigen door hem aan te vallen, zoals Proust wilde.
  68. De gecontroleerde ontsporingen van Régis Jauffret, de Rimbaud van het hedendaagse Franse proza.
  69. Het bestaan van meerdere goede vertalingen van hetzelfde werk, zoals bij Rimbaud en Dante: door de verschillen wordt de vertaler zichtbaar.
  70. Uitvoeringen die een tot cliché verworden muziekstuk ineens weer genietbaar maken, zoals de Brandenburgse concerten door Jordi Savall of De vier seizoenen door Fabio Biondi.
  71. Sviatoslav Richter die Chopins Étude op. 10 nr. 4 in gis-mineur speelt, van bovenaf gefilmd.
  72. De romans van Patrick Modiano, die elke keer hetzelfde zijn en gelukkig toch ook weer niet.
  73. Het feit dat de hooggestemde dichter Mallarmé in zijn eentje een modetijdschrift volschreef.
  74. Kafka’s geniale ingeving om het ongewone als gewoon te presenteren.
  75. Het personage A-Q van Lu Xun, dat elke nederlaag als een overwinning weet te interpreteren.
  76. De tsunami die Marseille treft in Nous trois, mijn lievelingsroman van Jean Echenoz.
  77. Het onnavolgbare vertelstandpunt in Doctorows roman Ragtime.
  78. De uitvinding van de ragtime door Ludwig Van Beethoven in het laatste deel van zijn laatste pianosonate.
  79. Het Et incarnatus est uit de Hohe Messe, waarschijnlijk het laatste stuk dat Bach componeerde: pure Mozart, maar dan beter (Jos van Veldhoven, Channel Classics).
  80. Het twintigste-eeuws aandoende begin van Mozarts Dissonantenkwartet (waarna het vervolg een lachertje is).
  81. Mozarts late opera’s, waaruit blijkt dat hij toch echt een groot componist was.
  82. Diderots sprankelende conversatieschrijfkunst.
  83. Het idee van Google om alle boeken ter wereld via internet toegankelijk te maken (maar dan graag wel met inachtneming van het auteursrecht).
  84. Telefoons met nummerherkenning, zodat je selectief beschikbaar kunt zijn.
  85. Een jas met veel zakken, zodat je altijd weer vindt wat je kwijt dacht te zijn.
  86. Details in verband kunnen brengen met grote lijnen.
  87. Het zelfkritische vermogen van Marcel Proust, die omstreeks 1910 inzag dat hij zijn roman niet moest laten eindigen met een programmatisch gesprek over de biografische methode van Sainte-Beuve.
  88. Raul Ruiz’ wonderbaarlijk goed geslaagde verfilming van Prousts onverfilmbare roman fleuve, met Marcello Mazzarella als volmaakte lookalike van Marcel.
  89. De door Paul Nadar geretoucheerde wereld van Proust in Le Monde de Proust.
  90. Monty Python’s All-England Summarize Proust Competition.
  91. Peter Falk als mens geworden engel in Der Himmel über Berlin: ‘I can’t see you, but I know you’re here.’
  92. De snedigheid van Voltaire, die de Regent na een gedwongen verblijf in de Bastille bedankte voor de genoten spijzen, maar hem tevens verzocht zich voortaan niet meer met zijn huisvesting te bemoeien.
  93. Filmreeksen die de draak steken met hun eigen genreconventies, zoals James Bond en Star Trek.
  94. De uitzonderlijk flauwe grappen van Peter Sellers in The Pink Panther.
  95. Charlie Chaplin die zichzelf opnieuw uitvindt met Monsieur Verdoux.
  96. De heksen in Macbeth.
  97. Het komisch duo Geert en Rita.
  98. Mensen die niet altijd met zichzelf bezig zijn (zouden ze bestaan?).
  99. Zachtmoedigheid.

[Raster 123-124, thema Het Einde, voorjaar 2009, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email