Geen celebraties voor Céline

Eind januari 2011 werd in de Franse media niet alleen gebakkeleid over de lakse houding van de regering-Sarkozy tegenover de Tunesische omwenteling. Voor de nodige ophef zorgde ook een heuse ‘Franco-Franse’ polemiek: de verwijdering van Louis-Ferdinand Céline van de lijst van 500 personen die door minister van Cultuur Frédéric Mitterrand waren voorgedragen om in 2011 tijdens de zogeheten nationale vieringen te worden gehuldigd.

Na protest van Serge Klarsfeld (woordvoerder van de FFDJF, de Franse Vereniging van zonen en dochters van joodse gedeporteerden), die verklaarde dat Mitterrand ‘de nagedachtenis van Céline niet met bloemen mag tooien’, besloot de minister de aanvankelijk geselecteerde Céline alsnog van de lijst af te voeren. Mitterrand was tot het inzicht gekomen dat de ‘weerzinwekkende antisemische geschriften’ van de in 1961 overleden auteur van Reis naar het einde van de nacht en Bagatellen voor een massamoord een huldiging door de Republiek beletten.

De kwestie bracht veel pennen in beweging (hier een overzicht van de reacties). In engere zin gaat het om een ‘typisch Franse’ botsing tussen verlangen naar grandeur en verlangen naar zuiverheid. Tekenend is de verwarring tussen de begrippen ‘huldebetoon’ (célébration) en ‘herdenking’ (commémoration), waarbij het eerste toejuichingen en applaus suggereert, het tweede een veel neutralere erkenning van culturele verdiensten. Niemand betwist overigens die van Céline: zijn vernieuwing van de twintigste-eeuwse roman, zijn onnavolgbare ‘gesproken’ stijl, zijn beklemmende evocatie van twee wereldoorlogen.

Maar daardoorheen schemert ook de oude, onverminderd actuele vraag naar de autonomie van de literatuur, een vraag die garant staat voor commotie in een land waar men de morele scherpslijperij cultiveert en waar het pamflet van oud-verzetsstrijder Stéphane Hessel met de opruiende titel Indignez-vous! (Wees verontwaardigd!) in enkele maanden tijd een oplage van 1 miljoen kan bereiken. Sommigen beklemtonen dat bij Céline de schrijver niet van de mens, de stilist niet van de antisemiet kan worden gescheiden (Patrick Kéchichian). Anderen spreken van ‘censuur’ (Philippe Sollers), betreuren de verkwanseling van zuiver-literaire criteria bij het consacreren van een schijver (Pierre Assouline), vrezen de reacties op wat kan worden gepercipieerd als invloed van de ‘joodse lobby’ (Alain Finkielkraut).

Dat grootsheid niet het alleenrecht is van moreel onbesproken individuen is bekend, maar het blijft frappant om te zien hoe een politiek-incorrect auteur vijftig jaar na zijn dood nog altijd uitsluitingsmechanismen oproept. Niet dat Céline zich in zijn graf zou omdraaien. Een postume polemiek bewijst zijn literaire nachleben een veel betere dienst dan huldebetoon door de Republiek (Zie dit interview-fragment uit 1958, waarin hij zich uitlaat over de ‘logge geest’ van zijn criticasters).

[Nieuwsitem, geschreven voor Schwob.nl, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email