Roland Barthes, ‘Cy Twombly of “Non multa sed multum”‘ (fragmenten)

De kunst van Twombly bestaat erin de dingen te tonen: niet de dingen die hij afbeeldt (dat is een ander probleem), maar de dingen die hij verwerkt: dat beetje potlood, dat ruitjespapier, die spikkel roze, die bruine vlek. Het geheim van zijn kunst is, algemeen gesteld, dat hij de substantie (houtskool, inkt, olieverf) niet uitspreidt, maar dat hij die laat slepen. Om het potlood uit te drukken zou je kunnen denken dat je er druk op moet uitoefenen, de verschijningsvorm ervan sterker moet maken, intens, zwart en dik. Twombly denkt het tegenovergestelde; juist door minder druk uit te oefenen op de materie, door die haast nonchalant te laten neerstrijken zodat de korrel ervan zich wat verspreidt, kan de materie haar essentie tonen, ons zekerheid verschaffen over haar naam: het is potlood. Als we wat wilden filosoferen zouden we kunnen zeggen dat het wezen van de dingen niet ligt in hun zwaarte maar in hun lichtheid; waarmee we misschien op een uitspraak van Nietzsche stuiten: ‘Das Gute ist leicht’: niets is inderdaad zo on-Wagneriaans als Twombly.

 

Het gaat er dus om dat de materie altijd, onder alle omstandigheden (in om het even welk werk) wordt getoond als feit (pragma). Daartoe heeft Twombly zo niet procedés (en al heeft hij die, in de kunst is het procedé nobel), dan toch gewoonten. Laten we ons niet afvragen of andere schilders dezelfde gewoonten hebben gehad; hoe dan ook is de combinatie, de onderverdeling, de dosering ervan wat de originaliteit van Twombly’s kunst uitmaakt. Ook woorden zijn van iedereen; maar de zin, die behoort de schrijver toe: de ‘zinnen’ van Twombly zijn onnavolgbaar.

 

[…]

 

Tychè is in het Grieks de gebeurtenis voor zover die zich toevallig voordoet. De doeken van Twombly lijken steeds een zekere toevalskracht te bevatten, een Gelukkige Speling van het lot. Het doet er weinig toe dat het werk in feite het resultaat is van nauwkeurige berekening. Waar het om gaat is het toevalseffect, of om het subtieler te zeggen (want Twombly’s kunst is geen aleatorische kunst), het inspiratie-effect, de creatieve kracht die werkt als een gunstig toeval.

Het werk van TW doorlopen, het bekijken of erover spreken, is een voortdurend loochenen van eerste indrukken. Dit werk vraagt er niet om dat de woorden van de cultuur worden betwist (het spontane van de mens is zijn cultuur), maar alleen dat ze worden verschoven, ontbonden, in een ander licht gesteld. TW dwingt je niet zozeer tot het verwerpen van het esthetische stereotype, maar – wat misschien subversiever is – tot het verwerken en doorkruisen ervan; hij brengt kortom in ons taalarbeid op gang (is het niet juist die arbeid – onze arbeid – die de waarde van een werk uitmaakt?).

 

[…]

 

Van het schrijven bewaart TW het gebaar, niet het product. Al is het mogelijk om esthetisch genot te puren uit het resultaat van zijn arbeid (datgene wat het kunstwerk wordt genoemd, het doek), al hebben de voortbrengselen van TW raakvlakken met de kunstgeschiedenis en de kunsttheorie (daaraan ontsnappen ze niet), wat ons getoond wordt is een gebaar. Wat is een gebaar? Zoiets als het supplement van een handeling. De handeling is transitief, zij wil een voorwerp wekken, een resultaat bewerkstelligen; het gebaar is dan de onbepaalde en onuitputtelijke som van drijfveren, driftimpulsen en vertragingen die de handeling omringen met een sfeer (in de astronomische betekenis van het woord). Laten we dus een onderscheid maken tussen de boodschap, die informatie wil overbrengen, het teken, dat een begrip wil overbrengen, en het gebaar, waarmee al het overige (het ‘supplement’) wordt overgebracht, zonder dat dat overbrengen noodzakelijkerwijs de bedoeling is. De artiest (laten we dit kitscherige woord nog even aanhouden) is krachtens zijn statuut iemand die zich bedient van gebaren: hij wil een effect teweegbrengen en tegelijk wil hij dat niet; de effecten die hij teweegbrengt hoeft hij niet te hebben gewild; het zijn zijdelingse, afgeworpen, vrijgekomen effecten, die hun weerslag op hem hebben en daardoor zorgen voor de wijziging, afwijking of verlichting van de lijn die hij trekt. Zo wordt in het gebaar het onderscheid tussen oorzaak en gevolg, motief en doelwit, uitdrukking en overreding opgeheven. Het artistieke gebaar – of de artiest als gebaar – doorbreekt niet de causale handelingsketen, wat de boeddhist het karma noemt (hij is geen heilige, geen asceet), maar brengt hem in de war, jaagt hem aan tot de betekenis ervan zoekraakt. In het (Japanse) zenboeddhisme heet zo’n bruuske (soms zeer ijle) breuk met onze causale logica (ik simplificeer) een satori: door een uiterst geringe of zelfs lachwekkende, krankzinnige, koddige omstandigheid wordt het subject opgewekt tot een vorm van radicale negativiteit (die geen negatie meer is). Ik beschouw de grafische werken van TW stuk voor stuk als kleine satori’s: uitgaand van het schrijven (een causaal veld bij uitstek: we schrijven, zeggen we, om te communiceren) doen zich een soort nutteloze scherven voor, die niet eens meer interpretabele letters zijn, met als gevolg een ontheffing van de actieve, schrijvende persoon, van het weefsel van zijn motieven, zelfs de esthetische: het schrijven huist nergens meer, het is volkomen overtollig. Begint niet juist op die uiterste grens ‘de kunst, ‘de tekst’, al het ‘vergeefse ‘ van de mens, zijn perversie, zijn ontlading?

 

[…]

 

Anders dan wat zo veel hedendaagse schilders doen, toont TW het gebaar. Er wordt ons niet gevraagd het product te zien, te doordenken en te savoureren, maar de beweging die tot dit resultaat heeft geleid opnieuw bij te wonen, te herkennen en als het ware te ‘genieten’. Welnu, zolang de mensheid zich toelegde op het handmatige schrijven, dus met uitsluiting van het gedrukte woord, was het traject van de hand, niet de visuele waarneming van wat door die hand werd voortgebracht, de fundamentele handeling die bepalend was voor de definitie, studie en classificatie van de letteren. Deze aan vaste regels onderworpen handeling is wat in de paleografie de ductus wordt genoemd: de hand trekt de lijn (van boven naar beneden, van links naar rechts, met draaiingen, wisselingen van druk, onderbrekingen enzovoort); uiteraard is in de ideografie (beeldschrift) de ductus van het grootste belang: doordat de ductus streng gecodeerd is kunnen de karakters worden geclassificeerd al naargelang het aantal en de richting van de penseelstreken, en ontstaat voor een schrijven zonder alfabet de mogelijkheid van een woordenboek. In het werk van TW heerst de ductus: niet de regels waaraan deze onderworpen is, maar het spel ermee, de grilligheden, exploraties en vertragingen ervan. Al met al is het een soort schrijven waarvan alleen de schuinte en de loop overblijft. In het antieke handschrift is het lopende schrift ontstaan uit de (economische) noodzaak om snel te schrijven; de pen van het papier lichten is duur. Hier is het precies andersom: het valt, het miezert, het gaat liggen als gras, het maakt doorhalingen uit ledigheid, alsof het erop aankomt de tijd, de trilling van de tijd zichtbaar te maken.

 

[…]

 

Als in een uiterst secure chirurgische ingreep staat of valt (bij TW) alles met het ondeelbaar kleine ogenblik waarop de was van de stift de korrel van het papier nadert. Was, een zachte substantie, hecht zich aan de fijne oneffenheden van het  tekenoppervlak, en het spoor van die lichte bijenzwerm vormt de door TW getrokken lijn. Die hechting is merkwaardig, want in tegenspraak met het eigenlijke idee van hechting: het is als een aanraking waarvan de waarde slechts bestaat uit de herinnering die eraan wordt bewaard; maar dat verleden van de lijn kan ook worden omschreven als zijn toekomst: de krijtstift, die half-vet, half-puntig is (je weet niet welke wending hij zal nemen), gaat het papier aanraken; technisch gesproken lijkt het werk van TW te worden vervoegd in de verleden tijd of in de toekomende tijd, nooit echt in de tegenwoordige tijd; het is alsof de lijn hooguit wordt herinnerd of aangekondigd: op het papier – vanwege het papier – is de tijd blijvend onbestendig.

 

[…]

 

Zijn werk behelst geen concept (trace), maar een activititeit (tracing).

 

  • fragmenten uit: Roland Barthes, ‘Cy Twombly ou Non multa sed multum”‘ / ‘Sagesse de l’art’, in: Catalogue raisonné des oeuvres sur papier, Yvon Lambert, red., deel VI (1973-1976), ed. Multhipla, Milaan, 1979. Vertaling Rokus Hofstede, in: Cy Twombly, Photographs 1951- 2010, catalogus, Paleis voor Schone Kunsten, Brussel, februari-april 2012.
Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.