Arm Nederlands!

Tijdens het vertalen van Proust valt me maar weer eens op over hoe weinig middelen het Nederlands (in vergelijking met de ons omringende talen) beschikt om de relaties tussen woorden in een zin duidelijk te maken. Ga maar na:

  • In tegenstelling tot het Duits kent het Nederlands geen naamvallen (die behalve een grotere variatie in de zinsvolgorde ook relaties op grotere afstand mogelijk maken, zoals het Latijn laat zien). 
  • In tegenstelling tot het Duits en het Frans kent het dominante (Noord-)Nederlands afgezien van het onzijdig nauwelijks meer woordgeslacht: alles is mannelijk geworden (het befaamde ‘de’ zonder geslachtsaanduiding in Van Dale: in Vlaanderen vrouwelijk, in Nederland mannelijk). Verwijzen naar een tafel of een kerk met het voornaamwoord ‘haar’ wordt in het noorden van ons taalgebied als choquerend ervaren, met als gevolg dat het woordgeslacht niet meer kan helpen om in complexe constructies een dreigende ambiguïteit weg te namen. En wie het hele taalgebied te vriend wil houden heeft het nog moeilijker, want die zal ook de verwijzing naar een tafel of kerk met ‘hem’ proberen te vermijden. [Voorbeeld: ‘Il n’est peut-être pas une personne, si grande que soit sa vertu, que la complexité des circonstances ne puisse amener à vivre un jour dans la familiarité du vice qu’elle condamne le plus formellement – sans qu’elle le reconnaisse d’ailleurs tout à fait sous le déguisement de faits particuliers qu’il revêt pour entrer en contact avec elle et la faire souffrir.’]
  • In tegenstelling tot het Duits en met name het Frans kent het Nederlands maar een beperkte mate van verbuiging (en dus sowieso geen naamvalsverbuiging): zelfstandige naamwoorden kennen een meervoudsvorm, bijvoeglijke naamwoorden krijgen bij de-woorden een extra -e, maar dat is het wel zo ongeveer. Het Frans kan door middel van verbuiging op afstand nog aangeven naar welk zelfstandig naamwoord een deelwoord of bijvoeglijk naamwoord verwijst, het Nederlands kan dat niet.
  • In tegenstelling tot het Engels en het Frans kent het Nederlands (net als het Duits) verplichte inversie in bijzinnen, waardoor de persoonsvorm achter het lijdend voorwerp moet komen. Bij erg lange lijdende voorwerpen, zoals die bij Proust vaak voorkomen, moet de Nederlandse vertaler zoeken naar voorzetselconstructies waardoor het werkwoord alsnog voorop kan worden geplaatst – een tamelijk uitputtend proces.
  • In tegenstelling tot het Engels en het Frans kent het Nederlands nauwelijks de mogelijkheid van deelwoordconstructies die zelfstandig in de zin kunnen worden opgehangen om een niet nader geëxpliciteerd (causaal of temporeel) verband aan te geven. (Deze mogelijkheid, plus het feit dat de persoonsvorm in het Engels ook in bijzinnen voorop blijft staan, maakt Proust vertalen in het Engels véél minder bewerkelijk dan in het Nederlands.)
  • Een kleintje met grote gevolgen: in tegenstelling tot het Duits, Engels en Frans kent het Nederlands geen tegenhanger van het aanwijzend voornaamwoord ‘degene’ (dat alleen naar personen kan verwijzen) voor het aanduiden van zaken. [Voorbeeld: ‘Le roman que j’ai acheté est moins intéressant que celui que tu m’as donné.’]

Arm Nederlands! Hoe moeten wij ons dan uitdrukken in zinnen van meer dan drie woorden? En vooral: hoe kunnen we in onze vertalingen recht doen aan de rijkdom van relaties die andere talen zonder de minste inspanning tussen de woorden van een lange zin weten te leggen? Heel eenvoudig: door een grotere inspanning te leveren met de middelen die we wel hebben. Eén zo’n typisch Nederlands (en Duits) instrument is het maken van samenstellingen (‘doorstroombevorderingsfactor’). Maar verreweg het belangrijkste instrument is de syntaxis, inclusief zinsritme en het leggen van nadruk op de juiste elementen (thema/rhema). Het Nederlands is zeer wel in staat tot het maken van mooie lange zinnen, het kost alleen wat tijd. En bij het vertalen van Proust héél veel tijd.

Print Friendly, PDF & Email