Pierre Michon, Rimbaud de zoon (fragment)

Ik kom terug op de gare de l’Est. Ik kom terug op die eerste Parijse dagen waarin misschien voor Rimbaud alles in drie korte bedrijven werd beslist: de ogenblikkelijke reputatie dat hij een zeer groot dichter was, het scherpe besef van de ijdelheid van een reputatie, en de opzettelijke verwoesting van die reputatie.

Er waren nog anderen dan Verlaine. Want we weten dat hij in september nog maar net aangekomen in Parijs door Verlaine werd meegetroond naar van die drankhuizen, van die drankholen, waar ‘s avonds boven marmeren tafeltjes gloria’s en pijpen dampten, bierglazen schuimden, couranten werden opengeslagen, en achter bierglazen en couranten waren er in het karige blauwe gaslicht dichtersbaarden, dichtersposes, geveinsde onverschilligheidjes, geveinsde grapjes en dichtersogen die je zagen aankomen uit Charleville. Maar achter al die gordijnen, achter in al die drankholen, in het Café de Madrid, in de Rat mort, in Chez Battur, in de Delta, in de duizend bijgebouwen van de Absint Academie, was er iets anders wat Rimbaud dadelijk herkende, misschien nog sneller dan het verschil tussen een kop gloria en een glas absint: dat was het mokken, als een allerlaatste gordijn waar al die andere, de baarden, de bierglazen, de couranten, voortbrengselen van waren, een nog ondoorzichtiger gordijn dat hen nog nauwer omsloot. De dichter was die man in meervoud die mokte in Parijs.

En iedere mokkende zoon wachtte op een vader die zijn hoogsteigen mokken officieel zou komen goedkeuren, hem het winnende lot zou toekennen, hem aan zijn rechterzijde op een onzichtbare troon zou doen plaatsnemen. Elk van hen wilde zich onttrekken aan de burgermaatschappij, er niet zijn, een soort schaduwheerschappij uitoefenen; maar het klooster was gesloten, blauw bloed was folklore geworden, de kazerne was ingestort in de sneeuwvlakten toen de patriottisch gepluimde zonen en de Rijksmaarschalken vielen in de buurt van Smolensk of langs de Berezina; en om duidelijk te laten blijken dat ze verweesd en verbannen waren, oftewel beter dan anderen, werden al die zonen dus geen kapitein, geen baron of kloosterling, maar dichter, want dat was sinds 1830 gebruikelijk. Maar sinds 1830 was het deuntje versleten geraakt; misschien was het door te veel kelen gezongen; in te groten getale dongen ze mee naar de prijsuitreiking van het hiernamaals; en vooral, niemand stond in dit ondermaanse meer voor die prijsuitreiking borg, Baudelaire was dood, de Oude converseerde uitsluitend met Shakespeare via zijn vier tafelpoten, er was in Saint-Cyr al heel lang geen koning meer die bij zulke kwesties de knoop kon doorhakken, het beginsel van uitverkiezing was verloren gegaan. Niemand had meer de speciale bevoegdheid om de wijding te voltrekken waar Rimbaud met zoveel klem om vroeg, waar zeker alle zonen zij het met minder klem om vroegen. En al die Rastignacs van het hiernamaals zaten zich te verbijten achter obscure sonnetjes en magische gedragingen, achter bierglazen, achter couranten, ze wachtten af, zéker van hun uitverkiezing, zéker van hun afwijzing: weliswaar bezaten ze allemaal het kleine stekje, maar wat is dat nog waard, als het zo gelijkmatig verdeeld is?

Intussen lieten ze zich vast fotograferen. Want ze hadden allemaal door dat vanonder de zwarte kap het nageslacht met gezwinde spoed naderde, zonder oog misschien voor hun obscure sonnetten, die gebalde vuistjes van veertien regels waarmee ze dreigend naar de toekomst zwaaiden, zonder oog voor de poëzie, maar zeker niet zonder oog voor de pose van de banneling met twee vingers in het vest en woeste manen. Zo beefden ze voor het nageslacht op de krukjes van de fotografen: de Oude zat voor Nadar, voor Carjat, keek naar de zwarte kap en hield zijn adem in; Baudelaire zat voor Nadar, Carjat en hield zijn adem in; voor dezelfden gezeten hield ook de zachtmoedige Mallarmé zijn adem in; en zoals het hen verging, verging het Dierx, Blémont, Creissels, Coppée, die beefden voor hetzij Nadar hetzij Carjat. En Rimbaud zelf…

[Pierre Michon, Rimbaud de zoon (Fr.: Rimbaud le fils), vertaling Rokus Hofstede, Van Oorschot, 1998]

Print Friendly, PDF & Email