Annie Ernaux, De schaamte (fragment)

Mijn vader heeft mijn moeder willen vermoorden, op een zondag in juni, aan het begin van de middag. Zoals gewoonlijk was ik naar de mis van kwart voor twaalf gegaan. Daarna moest ik gebakjes halen bij de banketbakker in de winkelpassage, een verzameling noodgebouwen opgetrokken na de oorlog in afwachting van de voltooiing van de wederopbouw. Thuis trok ik mijn zondagse kleren uit en deed een makkelijk wasbare jurk aan. Toen de laatste klanten waren vertrokken en de luiken voor de etalage van de kruidenierswinkel waren vastgezet, gingen we aan tafel, waarschijnlijk met de radio aan, want op dat uur van de dag had je een komisch programma, Le tribunal, met Yves Deniaud in de rol van schlemiel die door een rechter met beverige stem voortdurend van idiote overtredingen beschuldigd en tot bespottelijke straffen veroordeeld wordt. Mijn moeder was in een slecht humeur. Zodra ze aan tafel zat begon ze met mijn vader ruzie te maken en daar ging ze de hele maaltijd mee door. Ook toen de tafel was afgeruimd en het zeil afgenomen was, bleef ze mijn vader verwijten maken, heen en weer lopend in de keuken – een piepkleine ruimte ingeklemd tussen het café, de winkel en de trap naar de bovenverdieping. Zo deed ze altijd wanneer ze boos was. Mijn vader was aan tafel blijven zitten, met zijn gezicht naar het raam, en gaf geen antwoord. Opeens begon hij krampachtig te trillen en te blazen. Hij stond op en ik zag hoe hij mijn moeder vastgreep en het café in sleurde, schreeuwend met een hese, onbekende stem. Ik vluchtte naar boven en liet me op mijn bed vallen, met mijn hoofd in het kussen. Toen hoorde ik mijn moeder gillen: ‘Mijn kind!’ Haar stem kwam uit de provisieruimte, naast het café. Ik holde naar beneden, de trap af, en riep ‘help!’ zo hard ik kon. In de slecht verlichte provisieruimte had mijn vader mijn moeder bij haar schouders beet, of bij haar nek. In zijn andere hand hield hij het kapmes dat hij uit het hakblok had getrokken waar het gewoonlijk in stak. Hier herinner ik me alleen nog gesnik en geschreeuw. Daarna zijn we alle drie weer in de keuken. Mijn vader zit bij het raam, mijn moeder is naast het fornuis blijven staan en ik zit onder aan de trap. Ik huil aan één stuk door. Mijn vader was nog steeds niet normaal, zijn handen trilden en hij had zijn onbekende stem. Telkens zei hij: ‘Wat huil je nou, jou heb ik toch niks gedaan.’ Ik herinner me een zin die ik gezegd heb: ‘Door jou kom ik in de narigheid.’ Mijn moeder zei, ‘Toe, het is afgelopen.’ Later zijn we met ons drieën wezen fietsen op het land in de omgeving. Toen we thuiskwamen deden mijn ouders het café weer open, zoals altijd op zondagavond. Er is nooit meer met een woord over gesproken.

Het was 15 juni 1952. De eerste datum uit mijn kinderjaren die ik me nauwkeurig herinner. Daarvóór is er alleen een verglijden van de dagen en van de data op het schoolbord en in de schriften.

[Annie Ernaux, De schaamte (Fr.: La honte), vertaling Rokus Hofstede, De Arbeiderspers, 1998]

Print Friendly, PDF & Email