Bernard

Belgisch schilder, actief in Vlaanderen voor en na de Tweede Wereldoorlog. Geboren en getogen in de armoedige arbeidersbuurt van een Vlaams industriestadje, als laatste telg van een kroostrijk gezin. Op jonge leeftijd was hij het slachtoffer van een verkeersongeluk. De gebrekkige genezing van de beenwond had tot gevolg dat Bernard zijn hele leven mank liep. Het malheur aan zijn been verhevigde zijn sociale isolement maar bevorderde zijn artistieke ontwikkeling. Aanvankelijk tekende hij zijn directe leefomgeving: stadslandschappen, romantisch-miserabilistische scènes, in harde contouren. Hij genoot nauwelijks regulier onderwijs maar bezocht al vroeg de academie, waar hij blijk gaf van een uitzonderlijk schildertalent. Hij leerde er ornamenten schilderen, stillevens en portretten naar levend model, en won er verschillende prijzen. Nog tijdens de oorlogsjaren voltooide hij zijn opleiding.

Bernard beschouwde kunst als zijn ‘verdovingsmiddel’, hoewel het schilderen zijn levensangst en twijfel niet duurzaam vermocht weg te nemen: ‘Wij leven en vechten, wij zoeken en werken, wij maken iets en bekomen iets, veel is het niet, een schilderijke, aai, wat is een schilderijke?’ Na zijn academie-opleiding schilderde hij eerst expressionistisch aandoende landschappen. Zijn levenswerk betrof evenwel het vereeuwigen van Marian, dochter van Elie, een jeugdvriendin van Bernard. Het frêle meisje portretteerde hij met grote ijver en geestdrift van haar prilste jeugd tot aan haar volwassenheid, bij voorkeur naakt. Het wit en roze van het tere kinderlijfje wekten bij hem onbestemde, onvoldane verlangens naar verre avondhemelen, naar velden waarin je rondloopt, als je aan een oude miskende liefde terugdenkt en een troosteloos wijsje neuriet. Hij verkocht een portret van Marian aan Guido, zoon van een plaatselijk grootindustrieel. Het doek, getiteld Droom, is van een onzegbare fijnheid en onstoffelijkheid. Geruchten over Marians tijdelijk emplooi in een bordeel en over Guido’s zelfmoord bereikten Bernard niet, omdat die inmiddels God gevonden had. ‘Voor mij bestaat hemel en aarde, lucht, wolken, mensentranen en verftubekes uit één woordeke van drie simpele letterkes: God. Ik schilder, ik betracht de simpelheid en de eenvoud van het leven, een meiske dat neerzit en de handen in de schoot vouwt.’ Op den duur kende Bernard Marians lichaam zo goed dat hij het schilderde zonder model; nog later echter werd hij zozeer verteerd door begeerte naar dat lichaam dat hij het in het geheel niet meer schilderen kon.

Nadat zijn huis, het laatst overgeblevene van een root arbeidershuisjes, op de hoek van de Spaarzaamheidsstraat en de Overwinningslaan, was onteigend ten gunste van de stadsvernieuwing, nam Bernard zijn intrek in een woonboot aan de stadsrand. Ofschoon de schilder er enige tijd met zijn model samenwoonde, was van een duurzame relatie geen sprake. Bernard leidde er een eenzelvig, teruggetrokken bestaan. Na veel leed doorzwommen te hebben, trok hij zich van de wereld niets meer aan. Hij verkocht al zijn werk en beperkte zich louter nog tot het schilderen van Lieve-Vrouwebeelden. Er hangt een vredige vergetenis over hun gezicht, ze zijn zacht en goed, een kleine rimpel ligt over hun voorhoofd alsof ze zich verwonderen over iets wat hun eigenlijk niet aangaat.

  • Louis Paul Boon, De voorstad groeit, 1942

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email