Bourdieu en de concurrentiestrijd

Sinds Carry van Bruggens vermaarde slogan ‘levensdrift is distinctiedrift’, waarmee haar Hedendaagsch Fetischisme (1925) opent, is het gangbaar geworden elk onderscheid in taalgebruik, kleding of omgangsvormen te beschouwen als een doelbewuste, intentionele poging om zich te verheffen boven anderen. Zo bijvoorbeeld publicist Ger Groot, die in zijn aan Pierre Bourdieu gewijde in memoriam (De Groene, 02-02-2002) het verschijnsel dat hij betitelt als ‘Habitat-syndroom’ beschouwt als een ‘typisch Bourdieu-geval’: de Habitat-klant koopt zijn meubeltjes niet omdat hij ze mooi vindt maar omdat hij zich wil afficheren met zijn vooruitstrevende smaak en zich zo wil onderscheiden van het ‘klootjesvolk’; hij ‘zou er zo graag bij willen horen, maar is steeds te laat’.

Groots Habitat-syndroom staat in de sociologie bekend onder de naam trickle down effect: stijlinnovaties binnen de elite worden doelbewust gekopieerd door de lagere klassen en verliezen daarbij hun modieuze karakter. Bourdieus analyse van de culturele smaak is te beschouwen als een kritiek op dat trickle down-model. Wat op een bepaald consumptieniveau een ontoegankelijke luxe lijkt, kan door het opkomen van nieuwe consumptiemogelijkheden inderdaad verworden tot wat banaal en gewoon is. Dat effect is echter niet het resultaat van een doelbewust streven naar distinctie, maar een objectief, automatisch gevolg van de ‘orkestratie’ tussen de interne strijd binnen culturele productievelden en de interne strijd binnen verschillende fracties cultuurconsumenten.

Van die rijkelijk abstracte stelling biedt Bourdieus hier vertaalde voordracht over mode een fraaie illustratie. Juist de ontmoeting tussen de esthetische innovaties van bepaalde couturiers en de consumptieve behoeften van bepaalde sociale klassen of klassefracties is de motor van modetrends: jonge, nieuwe couturiers zijn de ‘objectieve bondgenoten’ van jongeren binnen de dominante of opkomende sectoren van de middenklasse die in de symbolische revoluties belichaamd door vestimentaire vernieuwingen een ideale uiting vinden van hun ambivalente relatie tot het establishment.

Bourdieus analyse van mode, maar ook van andere, legitiemere culturele praktijken, simplificeert die praktijken dus niet tot een cynische zucht naar status of distinctie. In het culturele verkeer hanteren mensen distinctieve strategieën, maar zonder dat die de vorm van een program of project hoeven aan te nemen. Het is niet ondenkbaar dat de Habitat-klant zijn meubeltjes koopt omdat hij ze mooi vindt.

En koopt hij ze toch omdat hij ‘erbij wil horen’, dan is hij inderdaad te laat – in dat opzicht klopt Groots beschrijving van het ‘Habitat-syndroom’’. Het geval wil dat mensen zich van elkaar onderscheiden. Maar wie daar in de ‘dialectiek van de concurrentie’ doelbewust naar streeft, bewijst alleen zijn banaliteit. Of, zoals Bourdieu het formuleert: ‘Wie niet ‘achter wil lopen’ voert altijd een bij voorbaat verloren strijd, want met zulke aanspraken laat men zich per definitie het doel van de wedstrijd voorschrijven en aanvaardt men dus ook de handicap die men nu juist wil overbruggen.’

[Deze tekst vormt de inleiding op ‘Haute couture en hoge cultuur’, een voordracht van Pierre Bourdieu vertaald in Parmentier, 16:3, 2007. Een systematischer analyse van het veld van de mode is te vinden Pierre Bourdieu & Yvette Delsaut, ‘Le couturier et sa griffe. contribution à une théorie de la magie’, in: Actes de la recherche en sciences sociales, 1975/1, p. 7-36. Zie ook Pierre Bourdieu, Opstellen over smaak, habitus en het veldbegrip, red. Dick Pels, Van Gennep, Amsterdam 1989, in het bijzonder ‘Enkele eigenschappen van velden’ (p.171) en ‘De productie van geloof’ (p.246). © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email