Cioran, Gevierendeeld (fragment)

‘U hebt een ruime ervaring, schreef markiezin Du Deffand aan hertogin De Choiseul, ‘maar er is één ervaring die U mist en die U naar ik hoop nooit zult hebben: verstoken zijn van gevoel, en daarbij gekweld worden door het besef niet zonder te kunnen.’

Op het hoogtepunt van de gekunsteldheid vertoonde de achttiende eeuw een nostalgisch verlangen naar naïviteit, naar de toestand waaraan het haar het meest ontbrak. Tegelijk werden naïeve, ware gevoelens beschouwd als het erfdeel van wilden, argelozen of dwazen, ontoegankelijke voorbeelden voor gemoederen die slecht waren toegerust om zich te wentelen in ‘domheid’, in simpele ongekunsteldheid. Als het verstand eenmaal oppermachtig is, keert het zich tegen alle waarden die vreemd zijn aan de uitoefening ervan en verliest het elke verankering in zoiets als de realiteit. Wie idolaat of bezeten is van het verstand raak onvermijdelijk ‘verstoken van gevoel’, en vervuld van de wroeging zich te hebben gewijd aan een afgod die slechts leegte teweegbrengt, zoals blijkt uit de brieven van Madame du Deffand, een onovertroffen uiting van de gesel van de luciditeit, de overspannenheid van het bewustzijn, de overdaad aan vragen en verwarringen waartoe de mens vervalt die van alles afgesneden is, die is opgehouden natuur te zijn. Het ongeluk wil dat men, eenmaal lucide, dat alleen nog maar meer kan worden; onmogelijk om vals te spelen of terug te deinzen. En die vooruitgang krijgt haar beslag ten koste van de vitaliteit en het instinct. ‘Geen vuur, geen avontuur’, zei de markiezen over haarzelf. Haar liaison met de Regent duurde begrijpelijkerwijs maar twee weken. Ze leken op elkaar, ze stonden op gevaarlijke wijze buiten hun eigen gewaarwordingen. De verveling, hun gemeenschappelijke kwelling, komt die niet tot bloei in de afgrond die rijst tussen geest en zintuigelijkheid? Niets spontaans meer, niets onbewusts. De ‘liefde’ had daar als eerste onder te lijden. De definitie die Chamfort ervan heeft gegeven paste goed bij een tijd van ‘luim’ en ‘opperhuid’, waarin iemand als Rivarol snoefde dat hij, op het hoogste punt van zekere stuip, een meetkundig probleem kon oplossen. Alles was vergeestelijkt, zelfs het spasme. En wat nog ernstiger was, een dergelijke aantasting van de zintuigen trof niet slechts een paar enkelingen maar werd het gebrek, de plaag van heel een klasse, uitgeput door het aanhoudende gebruik van ironie.

[Cioran, Gevierendeeld (Fr.: Écartèlement), vertaling Rokus Hofstede, De Arbeiderspers, 1995. Zie hier een fragment uit de brieven van markiezin Du Deffand]

Print Friendly, PDF & Email