Brina Svit, ‘Moreno’, fragment

Brina Svit, MorenoMijn moeder zou op dit moment vast heel veel van me houden. Ze houdt altijd van me als het niet gaat, als ik aan mezelf twijfel, als ik zeg: ne vem, ik weet het niet. Want dan is zij degene die het wel weet. Dan kan ze me adviezen geven, kan ze gelijk hebben. Dat is alles wat ze wil. In haar gelijk staan, boven mij staan, macht over me hebben. Op die manier houdt ze me vast, ik kan niet ontsnappen, zij kan zich in mij herkennen, we bevinden ons in dezelfde situatie. Zinnen die ik waarschijnlijk nooit zou hebben geschreven in het Sloveens, zelfs niet in Parijs, zelfs niet op twaalfhonderdvijftig kilometer van Ljubljana. Een kwestie van zelfcensuur, van niet willen kwetsen, van niet zwart op wit willen neerschrijven wat toch in het oog springt.

Hier ben ik maar vierhonderdvijftig kilometer van mijn geboortestad, opgesloten met een Ierse dichter in een middeleeuwse toren op het Toscaanse landgoed van een Italiaanse barones die hier woont met haar Marokkaanse knecht. Maar ik schrijf niet in mijn moedertaal. Als de eerste zin over mijn moeder uit mijn vingers komt, haal ik hem niet weg, ik ga door… Mijn moeder houdt er dus niet van als ik vrolijk ben, als ik licht in het leven sta, als ik mijn schouders ophaal. Dat brengt haar in de war, ergert haar, gaat tegen haar principes in, het heeft haar altijd aan speelsheid ontbroken. Je moet lijden in het leven, je moet zwoegen, je ergens schuldig over voelen, bovendien krijg je niets voor niets, zijzelf is daar het beste voorbeeld van. Ze zou hier goed aan haar trekken komen. Ik weet niet wat er met me aan de hand is. Misschien is het de Torre. Die heeft een bijtende, knagende invloed op mijn roman. Hij richt zich op het klatergoud, het nutteloze, het gekunstelde, en vreet dat langzaam weg. Elke dag heb ik een paar bladzijden minder. Als ik geen roman meer heb, weet ik niet meer wie ik ben.

[Brina Svit, Moreno, vertaling Martin de Haan. Anthos, 2008]

Print Friendly, PDF & Email