Jean Echenoz, Flitsen, fragment

Flitsen_omslagMaar ja, de duif.

De duif, saai, dom, ijdel, leeg, laf, vaag, vals, vuil, vuig. De miezerige duif en zijn stompzinnige stemgeluid, nimmer roerend, door en door affectloos. Zijn klapperende vlucht. Zijn doffe oogopslag. Zijn absurde gepik. Zijn hersenloze schedel met die intrieste knikbeweging. Zijn gênante besluiteloosheid, zijn stuitende seksualiteit. Zijn parasitaire roeping, zijn gebrek aan ambitie, zijn grandioze nutteloosheid.

Niet te vergelijken met de mus, die iets innemends heeft, met de merel, die zijn stem weet te gebruiken, met de raaf, die niet van klasse gespeend is, met de ekster, die stijl heeft, erger dan de aasgier, die tenminste een doel heeft in het leven, even sensueel als een rat, even hoogstaand als een horzel, minder elegant dan een worm, nog stommer dan de catoblepas.

Bij het doden van een duif komt nauwelijks meer gewetenswroeging kijken dan bij het vertrappen van een kakkerlak, je doet het alleen niet omdat zelfs dat nog te veel eer is. Uit luiheid of eigenliefde geef je hem geen schop, behalve als je wat lichaamsbeweging nodig hebt, en dan nog is hij het niet waard, je wilt toch niet riskeren dat je schoen vies wordt. En werp alstublieft niet tegen dat hij zich in oorlogstijd weleens verdienstelijk heeft gemaakt als postduif, hij mag nog blij zijn dat hij een piepkleine rol als vliegend machientje heeft gevonden.

[fragment uit Jean Echenoz, Flitsen (Des éclairs), vert. Martin de Haan en Jan Pieter van der Sterre; World Editions, 2014]

Print Friendly, PDF & Email