De vorige levens van Régis Jauffret

In een vorig leven was ik bendelid. Wij overvielen snoepwinkels in het Gooi, een onzer kocht klapkauwgom terwijl de anderen hun zakken vulden; er was geen camerabewaking in die tijd. In een ander vorig leven was ik eeuwig student en would-be dichter in Groningen. In weer een ander vorig leven was ik kraker en freelance-socioloog in Amsterdam. In mijn huidige leven ben ik vertaler, huisman, koorlid, rugbysupporter in Gent, België. We leven in het hier en nu, maar allemaal hebben we ‘vorige levens’. Dat zijn niet louter eerdere levensfases in biologische zin; die fases gingen gepaard met een specifieke leefomgeving, een specifiek netwerk van relaties, een specifiek zelfbeeld, kortom met een eigen, afzonderlijke identiteit.

> Lees verder

Witgepleisterde graven. Conrad en Brussel

Mijn definitieve literaire tekst over Brussel is niet geschreven door een Belg maar door een migrant, de Pool Józef Teodor Konrad Nalecz Korzeniowski, beter bekend als Joseph Conrad (1857-1924), die zich na een loopbaan in de Britse marine tot Engelsman liet naturaliseren en zich ontpopte als Engelstalig schrijver, een van de grootste van de twintigste eeuw. In de novelle Heart of Darkness (1899), een op autobiografische ervaring gebaseerd relaas van een reis naar de Congolese binnenlanden in de tijd dat dat land het privébezit was van de Belgische koning Leopold II en eufemistisch ‘Congo Vrijstaat’ heette, speelt maar een fractie van de handeling, aan het begin en het eind van het verhaal, zich in Brussel af.

> Lees verder

De demon van de letter

Een goede vertaling is het werk van twéé auteurs. In de context van Antoine Bermans vertaalethische voorstellen kan het geen kwaad die open deur nog eens in te trappen, want hoe belangrijk ‘L’éthique de la traduction’ binnen de geschiedenis van de vertaaltheorie ook mag zijn geweest, en hoe suggestief het vandaag de dag nog altijd is, de praktische relevantie ervan wordt ondermijnd door wat ik wil karakteriseren als het scholastisch a priori waarvan Berman getuigt. Een ethiek die het Vreemde en het Andere zalig verklaart kan niet recht doen aan de tegenstrijdige eisen waaraan vertalers in de praktijk blootstaan. Dat kan alleen een ethiek die expliciet erkent dat vertalers stilistisch autonoom zijn, oftewel auteurs.

> Lees verder

Waarom hervertalen? Notities uit de praktijk

Vertalers weten niet wat ze doen. Die gedachte viel mij in bij het lezen van het boeiende dossier over ‘De rijkdom van de hervertaling’ in het vorige Filter-nummer. Hoe boeiend ook, in dat dossier overheersen vertaaltheoretische en vertaalhistorische gezichtspunten, en het is geen wonder dat inzichten die op dat niveau worden verworven niet per se verhelderend zijn voor een beter begrip van de concrete worsteling van verschillende vertalers met eenzelfde originele tekst. Het spreken over de ‘geïntendeerde handeling’ en de ‘discursieve strategie’ (Lawrence Venuti) van de vertaler lijkt bijvoorbeeld meer rationaliteit en zelfbewustzijn te veronderstellen dan in de vertaalpraktijk aanwezig is; vertalers hebben doorgaans maar weinig controle over de parameters die komen kijken bij het vinden van hun toon en stijl.

> Lees verder

De dood der schoonheid

Baudelaire wist niet dat hij Baudelaire zou worden.
Louis Scutenaire, Mes Inscriptions

In ‘Le Phénomène futur’, een prozagedicht van Mallarmé, wordt het kunstmatig geconserveerde lijk van een naakte vrouw door de Vertoner van Voorbije Dingen op de kermis tentoongesteld aan een gedegenereerde mensheid. Een deel van het kermispubliek blijft onverschillig bij de aanblik van de gebalsemde wondervrouw, een ander deel raakt hevig aangedaan, terwijl de dichters uit die toekomstige tijden ‘(…) in hun doffe ogen een licht voelen aangaan en heensluipen naar hun lamp, een ogenblik dronken van schimmige glorie, in de ban van het Ritme en vergetend dat ze leven in een tijd die na de dood der schoonheid voortbestaat.’

> Lees verder

Wat niet gebruikt wordt, slijt. Over Pierre Bergounioux en Jean-Loup Trassard

Het Frans kent er een staande uitdrukking voor: exode rural, ontvolking van het platteland. Weliswaar is Frankrijk een van de laatste Europese landen waar een grootschalige exodus van de agrarische bevolking naar de steden op gang is gekomen, maar die leegloop heeft er diepere sporen getrokken dan elders, in de levens van hen die weggingen en in de levens van hen die achterbleven. Rond 1850 woonde nog driekwart van de Fransen – 26,8 miljoen mensen – op het platteland, veelal kleine, zelfvoorzienende boeren; anno 2011 zijn nog maar enkele miljoenen Fransen in de landbouw actief, niet meer dan 3,4% van de totale beroepsbevolking, overwegend in grootschalige landbouwbedrijven.

> Lees verder