Approches de Proust (fragment)

[…]

Conclusion : une traduction rapprochée

D’après Antoine Compagnon, la grande originalité de Proust est que son roman peut se lire à la fois comme un roman du XIXe siècle et comme le premier anti-roman, ou méta-roman, théorisant sur son propre déroulement. Dans cette perspective, la modernité de la Recherche ne tient pas tant aux thèmes qui y sont abordés, qu’à la conscience mobile qui s’y manifeste dans une pluralité de points de vue narratifs ambigus et relatifs. C’est cette conscience mobile qui assure la richesse du style, concept que Proust a joliment décrit en 1913 comme « la qualité d’une vision », et dans un célèbre passage du Temps retrouvé, comme « la révélation de la différence qualitative qu’il y a dans la façon dont nous apparaît le monde ».

> Lees verder

De vorige levens van Régis Jauffret

In een vorig leven was ik bendelid. Wij overvielen snoepwinkels in het Gooi, een onzer kocht klapkauwgom terwijl de anderen hun zakken vulden; er was geen camerabewaking in die tijd. In een ander vorig leven was ik eeuwig student en would-be dichter in Groningen. In weer een ander vorig leven was ik kraker en freelance-socioloog in Amsterdam. In mijn huidige leven ben ik vertaler, huisman, koorlid, rugbysupporter in Gent, België. We leven in het hier en nu, maar allemaal hebben we ‘vorige levens’. Dat zijn niet louter eerdere levensfases in biologische zin; die fases gingen gepaard met een specifieke leefomgeving, een specifiek netwerk van relaties, een specifiek zelfbeeld, kortom met een eigen, afzonderlijke identiteit.

> Lees verder

Witgepleisterde graven. Conrad en Brussel

Mijn definitieve literaire tekst over Brussel is niet geschreven door een Belg maar door een migrant, de Pool Józef Teodor Konrad Nalecz Korzeniowski, beter bekend als Joseph Conrad (1857-1924), die zich na een loopbaan in de Britse marine tot Engelsman liet naturaliseren en zich ontpopte als Engelstalig schrijver, een van de grootste van de twintigste eeuw. In de novelle Heart of Darkness (1899), een op autobiografische ervaring gebaseerd relaas van een reis naar de Congolese binnenlanden in de tijd dat dat land het privébezit was van de Belgische koning Leopold II en eufemistisch ‘Congo Vrijstaat’ heette, speelt maar een fractie van de handeling, aan het begin en het eind van het verhaal, zich in Brussel af.

> Lees verder

De demon van de letter

Een goede vertaling is het werk van twéé auteurs. In de context van Antoine Bermans vertaalethische voorstellen kan het geen kwaad die open deur nog eens in te trappen, want hoe belangrijk ‘L’éthique de la traduction’ binnen de geschiedenis van de vertaaltheorie ook mag zijn geweest, en hoe suggestief het vandaag de dag nog altijd is, de praktische relevantie ervan wordt ondermijnd door wat ik wil karakteriseren als het scholastisch a priori waarvan Berman getuigt. Een ethiek die het Vreemde en het Andere zalig verklaart kan niet recht doen aan de tegenstrijdige eisen waaraan vertalers in de praktijk blootstaan. Dat kan alleen een ethiek die expliciet erkent dat vertalers stilistisch autonoom zijn, oftewel auteurs.

> Lees verder

Waarom hervertalen? Notities uit de praktijk

Vertalers weten niet wat ze doen. Die gedachte viel mij in bij het lezen van het boeiende dossier over ‘De rijkdom van de hervertaling’ in het vorige Filter-nummer. Hoe boeiend ook, in dat dossier overheersen vertaaltheoretische en vertaalhistorische gezichtspunten, en het is geen wonder dat inzichten die op dat niveau worden verworven niet per se verhelderend zijn voor een beter begrip van de concrete worsteling van verschillende vertalers met eenzelfde originele tekst. Het spreken over de ‘geïntendeerde handeling’ en de ‘discursieve strategie’ (Lawrence Venuti) van de vertaler lijkt bijvoorbeeld meer rationaliteit en zelfbewustzijn te veronderstellen dan in de vertaalpraktijk aanwezig is; vertalers hebben doorgaans maar weinig controle over de parameters die komen kijken bij het vinden van hun toon en stijl.

> Lees verder

De dood der schoonheid

Baudelaire wist niet dat hij Baudelaire zou worden.
Louis Scutenaire, Mes Inscriptions

In ‘Le Phénomène futur’, een prozagedicht van Mallarmé, wordt het kunstmatig geconserveerde lijk van een naakte vrouw door de Vertoner van Voorbije Dingen op de kermis tentoongesteld aan een gedegenereerde mensheid. Een deel van het kermispubliek blijft onverschillig bij de aanblik van de gebalsemde wondervrouw, een ander deel raakt hevig aangedaan, terwijl de dichters uit die toekomstige tijden ‘(…) in hun doffe ogen een licht voelen aangaan en heensluipen naar hun lamp, een ogenblik dronken van schimmige glorie, in de ban van het Ritme en vergetend dat ze leven in een tijd die na de dood der schoonheid voortbestaat.’

> Lees verder