Cripplewood / Kreupelhout, J.M.Coetzee

Cripplewood.omslagKreupelhout n’est pas du bois mort. Bois mort, deadwood: dans la mythologie du Far West américain, la ville des espoirs décus où tous les chemins finissent. Le kreupelhout, au contraire, est vivant. Comme tous les arbres, le kreupelhout aspire au soleil; mais quelque chose dans ses gènes, un mauvais héritage, un poison, tord son ossature.
En anglais comme en néerlandais, il y a un embrouillamini lexical autour des mots kreupelhout – kromhout / cripplewood – gnarlwood (gnarles, knurled, knarled: le même mot dans différentes variantes):
(1) kreupel – kruipen / creep – crouch – crutch (kruk)
(2) gnarl < gnarled, snarled (knotted) / knoers < knoestig
(3) snarl: (1) a snare (trap), (2) a tangle, knot (of hair) / knoop: knobbel, kwast (knoest), kluwen
Le kreupelhout qui ne peut se redresser, qui croît courbé, accroupi; dans les membres desquels nous découpons des béquilles (crutches) pour ceux qui ne savent que ramper (creep); arbre étêté (knotted), noueux (gnarled), galeux (snarled).

> Lees verder

Caroline Lamarche, ‘De worp’

Het kwijnende vlees is zacht, het straalt met surreële gloed. Alles is vlees, zelfs de doornenkroon, wijding van de doodsstrijd. En ook de hand, het been, de knieholte, de okselplooi. Vlees van mijn vlees, wordt gezegd van het ter wereld gebrachte kind. Dieren weten dat, zij werpen. Neerkomen op aarde zoals een boom valt, met bomen rondom die naar elkaar tasten, broederlijk hun armen verstrengelen, zich evenzo neigen, fluisteren.

De handwerkster die zich over het ziekbed van de uitgeputte lichamen buigt, die vrouw met de voornaam van een begijn of een fee, heeft voor haar ritueel een grondstof gekozen die brandt en vergaat, dwaallicht of gebed, hier afgekoeld, gegoten tot tweede huid, een uiterst geraffineerde, nauwkeurige lijkwade, die niet verhult en niet liegt.

> Lees verder