Pierre Michon, De hengelaars van Castelnau (fragment)

Ik geloof niet zo in schoonheden die zich beetje bij beetje openbaren, als je maar verbeelding genoeg hebt. Voor mij tellen alleen de verschijningen. Deze nu deed dadelijk mijn bloed bruisen van de meest gruwelijke gedachten. Als ik zeg dat het een stuk was, dan heb ik nog weinig gezegd. Ze was groot en blank, het was melk. Het was breed en rijk als in de hemel de hoeri’s, omvangrijk maar ingesnoerd, met een strakke taille; hebben dieren een blik die hun lichaam niet loochent, dan was het een dier; hebben koninginnen een eigen manier hebben om op de zuil van een hals een hoofd te dragen dat vol maar puur, zachtmoedig maar noodlottig is, dan was zij de koningin.

> Lees verder

‘Je sentais la sacristie’: Pierre Michon et le Très-Haut

Dieu s’est absenté. La sécularisation progressant depuis des siècles, l’Église a perdu son ascendant quasi-naturel sur les hommes; selon la formule de Max Weber, le monde occidental s’est “désenchanté”. La plupart des hommes n’énoncent plus le sacré dans leurs paroles de tous les jours ; ce qui les dépasse, les terrifie ou les rassure, les inspire, ils ne l’attribuent plus à une divinité nommable.

C’est pourtant Lui que Pierre Michon convoque dans ses livres, depuis Vies minuscules (1984) jusqu’à La Grande Beune (1996), en passant par Maîtres et serviteurs (1990) et Rimbaud le fils (1991). Que ce soit à propos de la vie de paysans illettrés ou de celle de peintres et d’écrivains, Michon évoque ou en appelle à Dieu – sous des espèces très diverses.

> Lees verder

Pierre Michon, Meesters en knechten (fragment)

Dat hij niet alle vrouwen kon krijgen had hem, in zijn jeugd, getroffen als een grof schandaal. Begrijp me goed – zelf kan hij niet meer worden gehoord. Het ging niet om het verleiden; hij had succes gehad, zoals elke man, bij die twee, zeven, dertig of honderd vrouwen die aan elke man zijn toebedeeld, afhankelijk van zijn gestalte en zijn gelaatstrekken, zijn esprit. Nee, wat hem razend maakte, op straat, in de coulissen en de winkeltjes, aan de tafel van allen die hem ontvingen, bij de vorsten en in de tuinen, overal kortom waar vrouwen verkeren, was dat hij niet naar willekeur over een van hen – echtgenote van een mecenas, jong meisje of oude lichtekooi – kon beschikken, haar met zijn vinger kon aanwijzen, waarop zij zou komen en meteen gewillig zou zijn, en hij, na haar ter plekke neergegooid ofwel naar elders meegevoerd te hebben, zijn lust meteen zou bevredigen.

> Lees verder