‘Het masker was volmaakt’: over de bekkentrekkerij van de vertaler

Maar hoe effectvol de vertaling ook mag zijn, op minstens twee punten onderscheidt het vertaalproces zich beslissend van het schrijfproces, in het geval van Michon tenminste. Om te beginnen geniet de auteur ondanks alles stilistische vrijheden waar zijn vertaler hem alleen maar om kan benijden. Terwijl Michon stelselmatig speelt met zinsbouw, woordvolgorde en woordkeus, om de mogelijkheden die het Frans biedt maximaal uit te buiten, de klippen van stilistische chichés te vermijden en zo de zeggingskracht van zijn zinnen te verhogen, kan ik me vaak alleen ten koste van grote gekunsteldheid eenzelfde syntactische weelde veroorloven als het Frans, lijkt zelfs de meest voor de hand liggende woordvolgorde soms al te vergezocht, en weet ik me met de archaïsmen of het argot uit het origineel lang niet altijd raad. Bij vlagen ervaar ik mijn Nederlands als niet meer dan een amechtig pogen het Frans bij te benen, en mijn captatio verborum gaat regelmatig gepaard met een schrijnend besef van de beperkingen van mijn taal en van mijn taalvermogen. De vertaler, en nu vertel ik niets nieuws, is ‘horig aan twee heren’: terwijl een auteur zijn eigen taal naar zijn hand zet om zijn stem tot klinken te brengen, moet een vertaler, dat is zijn makke maar ook zijn mazzel, twee talen naar zijn hand zetten, zijn eigen en een vreemde. Die structurele ambivalentie hangt samen met zijn positie van intermedium: de vertaler is niet alleen de hoeder van de singulariteit van een auteur, hij moet ook de structurele verschillen tussen twee talen in zijn vertaling verdisconteren, en dus uit hoofde van zijn bemiddelende positie steeds bereid zijn de eisen van de ene taal tegen de andere in te zetten, auteur en lezer tegen elkaar uit te spelen. Wie eenzijdig partij kiest voor de lezer, past de vreemde taal aan de eigen taal aan, maar verliest ook de eigenheid van de auteur uit het zicht; wie eenzijdig partij kiest voor de auteur, probeert in de eigen taal ruimte te maken voor de stilistische vrijheden die de auteur neemt in de zijne, maar dreigt ook de lezer van zich te vervreemden. Het is onwaarschijnlijk dat een onbevangen Nederlandstalige lezer alle bijzinnen en predikatieve nabepalingen, alle dubbele punten en puntkomma’s waar een boek als Vies minuscules van vergeven is in onbemiddelde vorm zou verdragen. Maar hoever mag of moet je gaan in het opheffen van de syntactische equivalentie, het inkorten van de zinnen, het aanpassen van de interpunctie? Een algemeen antwoord heb ik niet, maar de vreemdheid van Michons proza heb ik in mijn vertalingen in elk geval niet willen uitwissen. ‘En mocht de tekst daardoor iets minder vlot lezen: dat is precies de bedoeling’, zoals Martin de Haan treffend schrijft in zijn nawoord van Michel Houellebecqs De wereld als markt en strijd.

Zijn vertalingen al met al per definitie slappe aftreksels, povere weergaven van een altijd rijkere brontekst? Waarom zou ik me plichtmatig wentelen in de statutaire nederigheid van de vertaler en opnieuw dat overbekende verhaal van de meester en zijn letterknecht ten beste geven? Wat let me om in een vlaag van vertalershybris mijn bescheidenheid af te werpen en Michon te beschouwen als mijn nègre, die het ruwe materiaal aanlevert waar ik, stielman en stijlbaas, (Nederlandse) literatuur van maak? Of, minder absurd, wat let me om de vrucht van mijn arbeid aan Michons teksten te beschouwen als een volwaardige reprise, potentieel even mooi, even treffend als de originelen? Ton Naaijkens opperde onlangs de gedachte vertalingen te beschouwen als de verwezenlijking van een in een tekst besloten virtualiteit, als een verrijking van de originele tekst, een denkbeeld dat al de kant op lijkt te gaan van de messianistische opvattingen van Walter Benjamin, die het in zijn beroemde opstel Die Aufgabe des Uebersetzers niet te doen is om de weergave van een betekenis maar om de ‘zuivere taal’ waarvan het ‘zaad’ in de vertaling tot rijping moet komen: ‘De in het oorspronkelijk werk gevangen taal in een poëtisch omdichten te bevrijden, is de opdracht van de vertaler.’ Op een minder verheven niveau vraag ik me af of literair vertalen niet zou kunnen worden omschreven als een specifiek genre, met als oogmerk tekstuele mimesis, als opvallendste eigenschap de voorlopigheid van de geproduceerde teksten en als eerste deontologische eis het vermogen tot onverpoosde zelfkritiek. Zo’n visie op het vertalen lijkt me in elk geval een gezonde relativering van het alomtegenwoordige gedweep met versleten begrippen als originaliteit en inspiratie, en attendeert en passant op het proefondervindelijke feit dat puike prozaïsten en knappe poëten beroerde vertalers kunnen zijn.

De kwestie van originaliteit en inspiratie behelst het tweede belangrijke verschil tussen het schrijf- en het vertaalproces. Die twee in de romantiek gewortelde begrippen, waarvan Michon zich niet kan en ook niet wil distantiëren, nemen bij hem de gestalte aan van een metafysica van de Genade (het wemelt in Roemloze levens van zulke ironisch-eerbiedige hoofdletters). De ‘kwezelachtige flauwekul’ waarin dat geloof hem doet verzinken, wordt met fijne zelfspot beschreven op de openingsbladzijden van Het leven van Georges Bandy. Elke ochtend legt de schrijver een blad papier op zijn bureau en wacht vergeefs totdat het door een goddelijke gunst wordt volgeschreven:

‘Als hooghartige jansenist geloofde ik namelijk uitsluitend in de Genade; die werd ik niet deelachtig; afdalen tot de Werken rekende ik beneden mijn waardigheid, want ik was ervan overtuigd dat de arbeid die daarvoor verricht moest worden, hoe bezeten ook, me nooit zou verheffen boven de conditie van een obscure, armlastige lekenbroeder. (…) Ik wachtte op een mooie byzantijnse engel, die alleen voor mij in volle glorie zou neerdalen en me een vruchtbare, uit zijn slagveren gerukte pen zou aanreiken, en me tegelijkertijd mijn voltooide werk te lezen zou geven, oogverblindend en onweerlegbaar, definitief, zonder weerga, neergeschreven aan de binnenkant van zijn uitgeslagen vleugels.’

De vertaler is die ‘obscure, armlastige lekenbroeder’ die afdaalt tot de Werken; hij moet het doen met de permanente voorlopigheid van zijn laatste versie; de genade is aan zijn werk ten enenmale vreemd. Alleen heel soms misschien vangt hij een glimp op van wat genade zou kunnen heten, wanneer een zin die is opgeladen met alle semantische en stilistische spanning van het origineel tegelijk ‘(…) blijkt te kunnen inklinken of door toepassing van een onopvallende maar naadloos passende oer-Hollandse uitdrukking onvervreemdbaar Nederlands wordt’, zoals Jan Pieter van der Sterre het formuleert (in Filter, 1999/1). Vertalen is het al dan niet geïnspireerde maar in elk geval bezeten streven de stem van de auteur tot leven te wekken, verricht in de hoop dat diens engelachtige streven zijn doden tot leven te wekken alsnog kans van slagen heeft.

Want ik blijf geloven dat iets van Michons bezwerende kracht en emotionele alchemie ook in vertaling voelbaar is. Mijn lichaam is mijn getuige. Michons taal, dat wil zeggen zijn literaire universum, heeft iets verstikkends, iets verleidelijks en tegelijk afstotelijks, zoals wanneer je je ophoudt in de onmiddellijke nabijheid van een hevig geparfumeerde onbekende; Michon vertalen gaat, bij mij althans, gepaard met bepaalde hinderlijke lichamelijke neveneffecten, die in wisselende mate aanwezig zijn maar nooit helemaal ontbreken: algehele fysieke malaise, zwaarte in de onderbuik, koud zweet, kippenvel, een soort trilling die zich van de tekst lijkt los te maken en in mijn lichaam resoneert. Misschien moet ik hierin de symptomen zien van de technische opgave om een lastig idioom te vernederlandsen, of tekens van de daarmee samengaande psychische investering in en fetisjistische verhouding tot de te vertalen tekst. Zelf zie ik er eerder het effect in van het pathos dat met het vertalen van een pathetische tekst verbonden is, een tekst waarvan ik de emotionele lading in mij moet laten bezinken om die te kunnen oplossen in een beredeneerde afweging van alternatieven. De vertaler heeft zijn eigen pathos: zijn ‘lijden’ is dat hij de ‘hartstochtelijke meeslependheid’ (‘dit woord betekent de bewegingen of hartstochten die de Redenaar in de Ziel van zijn Hoorders doet ontstaan of zoekt te doen ontstaan’, WNT) weliswaar ervaart in het ritme van het origineel, maar dat hij niet kan terugvallen op de toestand van roes of extase, het mécanisme d’ivresse, zoals Michon het noemt, waarvan dat origineel de pennenvrucht is. Wat hij wel kan doen is pal staan in dat tekort, niet wijken voor de geparfumeerde onbekende. Wanneer de vertaler zich openstelt voor de schrijnende kloof tussen de hartstochtelijke meeslependheid van zijn auteur en zijn eigen angstvallige, geduldige pogingen diens pathos na te bootsen, is dat misschien paradoxaal genoeg het bewijs dat de vertaling kan werken, dat ook de vertaling de belichaming is van iets wat de vertaler ontstijgt – een vorm van transcendentie.

Tijdens het vertalen verdubbelt zich de bekkentrekkende vertaler tot een hybridisch schepsel: immanente ploeteraar en transcendente perfectionist, klerk die aan het schouwspel van zijn tekortkomingen een permanent onbevredigd verlangen naar volmaaktheid ontleent – een verlangen naar het hou-van-mij van de originele tekst. Michons beschrijving van de mis van abbé Bandy is een hyperbolische uitvergroting van het pathos waarmee het vertalen van Michons teksten voor mij gepaard gaat: het ‘soevereine pathos van woord en gebaar’ is ‘soeverein weggezonken’, net als bij abbé Bandy die (‘zonder geaffecteerdheid en zonder ironie, zonder nederig of zalvend te doen, met een razende bescheidenheid’) de mis opdraagt aan zijn gehoor van idioten – maar als vertaler ben ik tegelijkertijd, net als Michon, getuige van die scène, ‘in een bittere roes’ hoor ik toe, ‘verbluft, gerustgesteld’. ‘Het masker was volmaakt, en pathetisch de inspanning om geen ander gezicht te hebben dan dat masker.’ Al zijn de inspanningen van de vertaler even pathetisch als die van de oude Bandy, al is de vertaler ‘een woordenkramer die zich van zijn falen bewust is en tracht het zo goed en zo kwaad als het gaat te verhelpen’, hij vertrouwt op zijn ervaring en doorzettingsvermogen, hij draagt zijn mis op zoals het hoort. De idioten laten het zich immers aanleunen. Onverstoorbaar zegent de abbé die te voorschijn tredende schepselen, die halsstarrig weigeren zich gewonnen te geven aan het fiasco van het woord.

[De Revisor, 27:6 (december 2000), © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email