De grimas van een schaduwbeeld

‘De neger delft het blauw / De regen komt er niet / Hij breekt door antraciet / De zon die schuurt hem rauw.’ Een raadsel? Een woordspel? Een versje? Niets van dat al: de eerste strofe van een gedicht van Jean Cocteau, vertaald door psycholoog Theo Festen. De strofe is opgebouwd rond een nogal versleten anagram (neger-regen): neger wil regen en graaft dus in de lucht, maar zonder succes. De lucht wordt pikzwart, de metaforische mijnwerker breekt hem open, maar daarachter brandt de zon nog onverbiddelijker: einde verhaal.

Maar wat staat er eigenlijk in het Frans? ‘Le nègre, mineur de l’azur / Que jamais pleuvoir ne mouille / Pâlit courbé dans la houille / Bleue et brute du soleil dur.’

> Lees verder

Lijdenskristallen van Michel Houellebecq

Poëzie groeit op het massagraf der bedrogen verwachtingen; haar ware wortels bevinden zich echter in de hemel. Het valt dan ook te begrijpen dat ze niet bij machte is de mens met het leven te verzoenen. Wel kan ze een zwak maar duidelijk signaal afgeven aan hen die op het punt staan het bijltje erbij neer te gooien.

We schrijven 1991. Aan het woord is Michel Houellebecq, een jonge auteur van wie op dat moment nog niemand heeft gehoord. De flaptekst waarin hij deze programmatische uitspraken doet, vermeldt dat hij in 1958 geboren is op het eiland Réunion, twee korte films heeft gemaakt (met de weinig vrolijke titels Lijdenskristal en Wankelingen), gedichten schrijft en recentelijk een essay over Lovecraft heeft gepubliceerd – en nu dus het boekje Rester vivant (vertaald als Leven, lijden, schrijven), een ‘methode’ voor de beginnende dichter.

> Lees verder

Welluidende wartaal

Hoeveel schrijvers die begonnen als wereldbestormend avant-gardist eindigen als nationaal literair erflater? Het is het lot van de avant-garde: wat eens revolutionaire nieuwlichterij was, wordt mettertijd, al dan niet postuum, bijgezet bij de klassieken – of domweg vergeten.

Maar revolutionaire nieuwlichters krijgen soms een tweede leven in vertaling, en keren dan vaak, ironisch genoeg, terug naar de marge vanwaar ze ooit vertrokken. Nog ironischer is dat wat in een andere taal en tijd van hun teksten resteert, iets heel anders is dan wat hun eens voor ogen moet hebben gestaan: een bevrijde taal, waarin het woord een daad is, een taal waarin je de polsslag van het heden hoort.

> Lees verder

Tovertaal 4: Groot nieuws voor de dichters

Poëzie vertalen is een heikele zaak. Vooral metrische en rijmende poëzie levert in vertaling maar al te vaak een bedroevend resultaat op, om een voor de hand liggende reden: hoe nauwer de vaargeul, hoe groter de kans dat het schip strandt, en vormvaste poëzie geeft de vertaler minder ruimte dan welke andere vorm van literatuur dan ook. Ik ken geen enkele metrische en rijmende vertaling die mij als tekst volledig overtuigt: rijmdwang, antimetrische verzen, lelijke parafrases, ook de allerbeste vertalers van dit soort poëzie ontkomen er niet aan. Toen ik onlangs in de gebruiksaanwijzing van Tovertaal las dat het programma ook rijmend en metrisch kon vertalen, was ik dan ook buitengewoon sceptisch, hoe verbluffend de verdere vertaalprestaties van het ding ook waren.

> Lees verder

Poëzie is altijd eenzaam – gesprek met Chen Li

door Silvia Marijnissen en Martin de Haan

Hualian, Taiwan, mei 2001. Met zijn auto komt Chen Li ons in het Politiehotel ophalen voor een gesprek over zijn poëzie; zoals altijd is hij losjes gekleed en loopt hij op zijn Playboy-slippers. We rijden naar zijn huis aan de andere kant van het stadje. Via een ingang die oogt als een garagedeur komen we direct in de woonkamer, die wordt overheerst door een enorme geluidsinstallatie, gigantische speakers en kasten vol cd’s en video’s met voornamelijk westerse klassieke muziek. We lopen door naar de tweede verdieping en installeren ons daar op de parketvloer van een lange, lichte kamer die helemaal leeg is, op een Yamahavleugel en een wand met boekenkasten na.

> Lees verder

De ontplofte dichtbundel, of: Hoe lees je 100.000.000.000.000 gedichten?

Le génie, c’est l’erreur dans le système
– Paul Klee, geciteerd door Georges Perec

Een interactieve dichtbundel avant la lettre

In een studie over de opbouw van dichtbundels mag de bekendste, zo niet enige dichtbundel ter wereld zonder vaste opbouw natuurlijk niet ontbreken: Cent mille milliards de poèmes (1961) van Raymond Queneau, het boek dat de blijde inkomst van de Oulipo in de Franse letteren inluidde. De bundel is minder dik dan de titel doet vermoeden, dankzij een vernuftig papierbesparingsmechanisme: in plaats van honderd duizend miljard losse gedichten te schrijven heeft Queneau de versregels van tien sonnetten zodanig losgeknipt dat ze afzonderlijk kunnen worden omgeslagen en naar believen met elkaar worden gecombineerd.

> Lees verder