Het kind, de poëzie, het raadsel

‘Of Rimbaud: één keer met onstuimig hart aan de taal wrikken, om haar voor één ogenblik goddelijk onbruikbaar te maken – en daarna weggaan, niet terugblikken, koopman zijn.’ – Paul Claes had voor zijn nieuwe vertaling van Rimbauds tweede bundel met prozagedichten, de befaamde Illuminations, geen beter motto kunnen vinden dan dit citaat van Rilke. Arthur Rimbaud: het kind dat de Franse poëzie, en de poëzie tout court, voorgoed een ander aanzien gaf. De een zou zeggen: voorgoed bevrijdde uit het stoffige keurslijf van regels en beperkingen, de ander: de weg opende naar de terreur van de lyrische extase.

Rimbaud, de revolutionair; Rimbaud, de ziener; Rimbaud, de mysticus; Rimbaud, de dromer.

> Lees verder

Met de taal de stad in

In het vierde arrondissement van Parijs ligt de Impasse du Boeuf, in het vijfde de Impasse des Boeufs. In het zestiende arrondissement ligt de Avenue du Bois, in het negentiende de Rue des Bois. Om van het enkelvoud naar het meervoud te gaan is er in het ene geval dus een verschil van één arrondissement nodig en in het andere een verschil van drie. Rara hoe kan dat?

De vraag is natuurlijk volkomen onzinnig, althans voor wie in straatnamen niets anders ziet dan handige kapstokjes waaraan je individuen en instanties kunt ophangen om ze niet kwijt te raken. Voor Jacques Roubaud – want van hem is de vraag afkomstig – liggen de zaken anders.

> Lees verder

Honderd jaar ongelezen: Stéphane Mallarmé

Vraag een redelijk belezen Fransman of hij weleens iets van Mallarmé leest, en het antwoord luidt vrijwel zeker: ‘Nee.’ Vraag dezelfde Fransman of hij weet wat voor soort literatuur Mallarmé schrijft, en de kans is groot dat hij begint over onleesbaarheid, uiterste perfectie van de vorm, extreme luciditeit, de gapende afgrond van de witte bladzijde, het Ideaal, het Niets, het Absolute, de droom van het Boek.

Stéphane Mallarmé is een van degenen, net als bijvoorbeeld Marcel Proust en Franz Kafka, wier werk zo algemeen bekend is dat niemand het meer nodig acht het te lezen. En als het dan toch gelezen wordt, gebeurt dat steevast vanuit het vooropgezette beeld dat men ervan heeft; dus lezen of niet lezen komt ongeveer op hetzelfde neer.

> Lees verder

Van pijnboom tot asfaltweg – gesprek met Luo Qing

door Silvia Marijnissen en Martin de Haan

Zowel in Taiwan als daarbuiten heeft u naam gemaakt als schilder, dichter en kalligraaf. Is er een reden waarom u op die drie terreinen actief bent? Hoe hangen zij met elkaar samen?

Als kind wilde ik schilder worden, maar mijn leraar zei dat ik om schilder te worden poëzie moest leren schrijven. En daarvoor moest ik weer kalligrafie leren… In het begin bekeek ik het dus heel praktisch: Chinese schilders houden van lege ruimtes om poëzie in te schrijven, omdat poëzie heel suggestief is en een belangrijke rol in de compositie van het geheel speelt.

> Lees verder

Bamboegrammen uit Gent

In 1975 verscheen er van de hand van de Franse dichter en romancier Raymond Queneau (bekend van o.a. Stijloefeningen en Zazie in de metro) een merkwaardig boek – zijn laatste overigens. Deze dichtbundel, laten we het zo maar noemen, bestaat uit drie delen, waarvan de laatste twee overduidelijk op de Yijing, het Chinese Boek der Veranderingen geïnspireerd zijn. Misschien is dat de reden waarom de specialisten ook bij het raadselachtige eerste deel een Chinese inspiratiebron hebben vermoed? Wie zal het zeggen. In ieder geval heb ik zelf de gangbare herleiding van de gedichten van dit eerste deel tot het klassieke Chinese genre van de lüshi (normgedicht) altijd nogal geforceerd gevonden.

> Lees verder

Gedicht en cyclus: enige overpeinzingen over het cyclische principe in de lyriek

Hoewel van zeer veel dichtbundels de opbouw al dan niet grondig bestudeerd is, zijn er tot nu toe nauwelijks studies te vinden die het probleem van omvang en ordeningsprincipes van dichtbundels in zijn algemeenheid benaderen. Blijkbaar heeft elke bundel zozeer zijn eigen idioom dat slechts weinigen zich geroepen voelen om een inventarisatie te maken van de constanten die terugkeren in alle variaties op het thema dichtbundel. Wie daartoe echter toch een poging wil wagen, doet er goed aan om uit te gaan van de aanverwante problematiek van de gedichtencyclus, waar iets meer publicaties over bestaan. In wat volgt zal ik, aan de hand van een van die publicaties, in het kort proberen aan te geven waar de theorie van de gedichtencyclus te kort schiet en de noodzaak oproept van een algemene theorie van de dichtbundel.

> Lees verder