Pierre Bourdieu, Over televisie (fragment)

Kijkcijfers hebben op de televisie een heel specifieke invloed: ze vertalen zich in tijdsdruk, in urgentie-eisen. De concurrentie tussen kranten onderling, tussen kranten en televisie of tussen omroepen neemt de vorm aan van een temporele concurrentie, dat wil zeggen van een concurrentie om de scoop. In een boek waarin hij een aantal interviews met journalisten heeft gebundeld, laat Alain Accardo zien wat er gebeurt nadat een televisieomroep een overstroming heeft gecovered: de televisiejournalisten van een concurrerende omroep coveren dezelfde overstroming maar proberen daarbij iets te hebben wat de anderen niet hadden. Er zijn met andere woorden onderwerpen die de kijkers worden opgedrongen omdat ze zich opdringen aan de makers; en ze dringen zich op aan de makers als gevolg van de concurrentie met andere makers. Die wederzijdse druk die journalisten op elkaar uitoefenen, genereert een groot aantal gevolgen die zich vertalen in keuzen, in wat gezegd en verzwegen wordt.

Eerder zei ik dat televisie niet erg bevorderlijk is voor het denken. Ik legde een – negatief – verband tussen urgentie en denken. Dat is een oude topos van het filosofische discours: de tegenstelling die Plato maakt tussen de filosoof die de tijd heeft en de mensen die op de agora, de markt staan en die in de greep van de urgentie zijn. Hij zegt ongeveer dat je in een toestand van urgentie niet kunt denken. Dat klinkt ronduit aristocratisch: het is het standpunt van iemand die geprivilegieerd is en de tijd heeft, en die zich over de aard van zijn privilege niet al te veel vragen stelt. Maar dit is niet de plaats om dat aspect aan de orde te stellen; wat zeker is, is dat er een verband bestaat tussen denken en tijd. En een van de voornaamste problemen die door de televisie wordt opgeroepen, is de kwestie van het verband tussen denken en snelheid. Kun je denken in snelheid? Wanneer de televisie het woord geeft aan denkers die worden geacht te kunnen denken in een hogere versnelling, veroordeelt ze zich er dan niet toe uitsluitend een beroep te doen op fast thinkers, denkers die sneller denken dan hun schaduw?

We moeten ons dan ook afvragen hoe deze denkers in staat zijn om aan die speciale voorwaarden te voldoen, hoe zij erin slagen om te denken onder omstandigheden waaronder niemand meer kan denken. Het antwoord luidt naar mijn idee dat ze ‘pasklare ideeën’ denken. De ‘pasklare ideeën’ [idées reçues] waar Flaubert het over heeft, zijn ideeën die iedereen passen, die gemeengoed zijn, banale, conventionele ideeën; maar het zijn ook ideeën die altijd passen omdat ze aangepast zijn aan de verwachtingen van de ontvanger, zodat het probleem van hun receptie niet aan de orde is. Of het nu gaat om een toespraak, een boek of een televisieboodschap, het voornaamste communicatieprobleem is altijd of er aan de receptie-voorwaarden van de communicatie is voldaan – beschikt degene die naar mij luistert over de code waarmee hij wat ik zeg kan decoderen? Wanneer je een ‘pasklaar idee’ formuleert, dan is die vraag in één klap van de baan; het probeem is opgelost. De communicatie komt ogenblikkelijk tot stand, in zekere zin omdat zij helemaal niet tot stand komt. Of alleen schijnbaar tot stand komt. Het uitwisselen van gemeenplaatsen is een communicatie zonder andere inhoud dan het feit van de communicatie zelf. De ‘gemeenplaatsen’ die in alledaagse gesprekken zo’n enorme rol spelen hebben de eigenschap dat iedereen ze begrijpt en dat ze onmiddellijk ‘passen’: doordat ze alledaags zijn worden ze gedeeld door wie ze uit en door wie ze ontvangt. Denken is daarentegen per definitie subversief: het moet beginnen met het onklaar maken van pasklare ideeën, en daarna moet het steunen op een bewijsvoering. Wanneer Descartes het heeft over bewijsvoering [démonstration], dan heeft hij het over ‘lange ketens van afleidingen’. Zoiets vergt tijd, je moet een reeks uitspraken ontvouwen die gekoppeld zijn door woorden als “dus”, “bijgevolg”, “echter”, “gegeven dat”… Welnu, die ontplooiing van het denkende denken is intrinsiek aan tijd gebonden.

De televisie geeft kortom voorrang aan bepaalde fast thinkers die culturele fastfood te bieden hebben, voorgekauwd, voor-gedacht cultureel voedsel. Deels is dat omdat televisiejournalisten een adressenboekje hebben (ook dat hoort bij de onderwerping aan urgentie-eisen), waarin trouwens maar zelden iets verandert (Rusland? Daarvoor hebben we meneer of mevrouw X., Duitsland? Meneer Y.); er zijn obligate sprekers die je ontslaan van de plicht mensen te zoeken die echt wat te zeggen zouden hebben – oftewel vaak jongere, nog onbekende onderzoekers, die bezig zijn met hun onderzoek en weinig geneigd de deuren van televisiestudio’s plat te lopen, die gehaald zouden moeten worden terwijl de habitués van de media binnen handbereik zijn, altijd beschikbaar en bereid om hun stukje te schrijven of hun interviewtje te geven. Maar die voorrang heeft ook te maken met het feit dat je, om te kunnen ‘denken’ onder omstandigheden waaronder niemand meer denkt, een denker van een bijzonder type moet zijn […].

[Fragment uit Pierre Bourdieu, Over televisie, vertaling Rokus Hofstede. Boom, 1998]

Print Friendly, PDF & Email