Lot en wil in ‘Madame Bovary’

‘Alles wat tot haar dagelijkse omgeving behoorde, eentonig platteland, domme kleine burgers, middelmatigheid van het bestaan, leek haar uitzondering in de wereld, een lot dat haar persoonlijk had getroffen, terwijl daarbuiten zover het oog reikte het onbegrensde land van gelukzaligheid en hartstocht zich uitstrekte.’
[p.73]

‘Het was alsof zij alle bitterheid van haar bestaan op haar bord voorgezet kreeg.’ [p.81]

Een roman is een plek waar drie soorten mensen elkaar ontmoeten: schrijvers, personages en lezers. Die ontmoeting vindt plaats zodra iemand een roman leest; dan ontstaat er een bijzondere driehoeksrelatie tussen schrijver, personages en lezer, waarbij elke partner met beide andere een band aangaat. Ontmoetingen zijn wisselend van duur en intensiteit; sommige verhalen hebben meer zeggingskracht dan andere.

In Madame Bovary presenteert Gustave Flaubert een visie op de wereld die ik in het hiernavolgende wil interpreteren in termen van wil en lot. Ik onderscheid drie niveaus aan die vraagstelling, die ik me voorstel als de onderlinge ontmoetingen van Flaubert, Emma Bovary en mijzelf, een fictieve lezer. Ten eerste vraag ik me af wat de relatie is tussen de romanwereld en de onze. Is de ontwikkeling van gebeurtenissen voor ons geloofwaardig? Preciezer, is Emma’s lot plausibel? Waarom moet zij dood? Rond deze vraag ontmoeten Emma en de lezer elkaar. Ten tweede vraag ik me af wat de relatie is tussen de romanwereld en de historische werkelijkheid van waaruit Flaubert schrijft. Welke elementen van de roman ontleent Flaubert aan de werkelijkheid? In welk opzicht komt het lot van Flaubert en van Emma overeen? Rond deze vraag ontmoeten schrijver en personage elkaar. En ten slotte vraag ik me af waaraan de visie van Flaubert haar gezag en haar zeggingskracht ontleent. Hoe wordt de verhouding tussen lot en wil in de roman vormgegeven? Rond deze vraag ontmoeten Flaubert en de lezer elkaar. Wat Flaubert te zeggen had staat echter al op papier; ik ben zover nog niet.

De lezer en Madame Bovary

Het verhaal dat Flaubert vertelt is de levensgeschiedenis van Emma Bovary, geboren Rouault, een jonge vrouw op het Normandische platteland in de jaren ’30-’40 van de negentiende eeuw. Zij wil tot elke prijs een door dromen gevoed ideaal verwezenlijken; het falen van dit streven leidt tot haar dood door zelfvergiftiging. Voor Emma blijkt elke confrontatie met de werkelijkheid, die zo anders is dan wat haar in haar romantische jeugdlectuur werd voorgespiegeld, tot een teleurstelling te leiden: haar huwelijk met Charles Bovary, een plattelandsdokter, goedhartig maar middelmatig; haar affaires met Rodolphe Boulanger, de plaatselijke donjuan, en met Léon Dupuis, een jonge ambtenaar, romantisch maar zwak en opportunistisch. Tot wanhoop gebracht door een spiraal van schulden die voortvloeien uit haar overspelige en wispelturige levenswandel, eet Emma op zevenentwintigjarige leeftijd arsenicum en sterft een gruwelijke dood – enige tijd later gevolgd door die van haar echtgenoot.

De aldus samengevatte plot kan op verschillende niveau’s gelezen worden: dat van de naakte gebeurtenissen, dat van de persoonlijke relaties, dat van de sociale verhoudingen. Voor een analyse van wil en lot is vooral de deductieve afwikkeling van episodes van belang, waarin de dood van Emma welhaast als een wetmatigheid voelbaar wordt. Flaubert hanteert in zijn roman een vorm van psychologisch determinisme: hij schreef over zijn helden dat ‘[…] wat ze nu zijn, wat ze doen, wat ze dromen (het resultaat is van) wat ze ze zijn geweest, wat ze hebben gedaan en wat ze hebben gedroomd.’ Emma’s val wordt beschreven als een koude, onontkoombare logica van episodes en overgangen, waarin menselijk ingrijpen geen plaats heeft – noch dat van de personages, noch dat van de schrijver. Flaubert houdt zich verre van enig moreel oordeel over of ingreep in de aaneenschakeling van de ‘feiten’ die hij uiteenzet. Emma’s sociale conditionering, haar ‘onaangepaste opvoeding’, is een integraal bestanddeel van haar lot.

Emma is echter niet alleen het slachtoffer maar ook de auteur van haar lot. Met haar weliswaar naïeve dromen en pover idealisme probeert zij toch de benauwdheid van haar milieu te ontvluchten. Zij heeft de moed om haar zinnelijkheid te beleven, kiest uiteindelijk zelfs voor overspel, en wanneer ze verstikt in haar omgeving slikt ze het gif met ‘de blijmoedigheid van een volbrachte taak’: ‘Ach, de dood stelt eigenlijk maar weinig voor!, dacht zij; ik zal inslapen, en dan is alles voorbij.’ Emma verstoort een ‘orde’ die op conformisme en belangen berust, ze wordt in de armen gedreven van domme of gewetenloze mannen en later in die van de dood; ze stoot op krachten sterker dan zijzelf en moet dus sterven; Emma’s val komt haast natuurwetmatig tot stand, maar niet onafhankelijk van haar eigen handelen. In die zin draagt zij haar lot.

Opmerkelijk genoeg wordt op twee plaatsen in de roman het lot door de personages aangeroepen, maar juist op plaatsen waar zij voor de lezer onmiskenbaar zelf als werktuigen van dat lot worden opgevoerd. Rodolphe schrijft in de brief aan Emma waarin hij haar, de dag voor hun geplande vlucht naar Italië, in de steek laat: ‘[…] Waarom was je zo mooi? Is dat mijn schuld? Mijn hemel, nee, beschuldig slechts het lot!’. En Charles, die geheel ontgoocheld is na Emma’s dood maar altijd zeer instrumenteel was in het mogelijk maken en zelfs stimuleren van Emma’s ontmoetingen met haar minnaars, verklaart aan zijn vroegere rivaal Rodolphe het hem niet kwalijk te nemen, en uit dan: ‘[…] de enige wijze opmerking die hij ooit had gemaakt: Het is de schuld van het noodlot.’

Flaubert en Madame Bovary

De afwikkelingen van gebeurtenissen zoals hierboven geschetst is het resultaat van het aaneenrijgen door Flaubert van twee anekdotes die de publieke opinie van zijn tijd in beroering hadden gebracht: het verhaal van Eugène Delamare en zijn tweede vrouw Delphine Couturier, die ‘getroffen door nymfomanie’ op jonge leeftijd stierf, gevolgd door haar man; en de avonturen van Louise Pradier, die in een raderwerk van minnaars en schuldeisers terechtkwam, wat leidde tot de inbeslagneming van haar bezittingen.

Deze anekdotische achtergrond is irrelevant voor de visie van Flaubert. ‘Het is een volledig verzonnen verhaal’, verklaarde hij, toen vele getuigen van Emma’s drama opdoemden en men hem feliciteerde niets verzonnen te hebben – alsof het verhaal aan die ‘bewijzen’ nog meer zeggingskracht ontleende.

Nabokov merkt in zijn Lectures on Literature op dat het in Madame Bovary wemelt van de onwaarschijnlijke details; alleen al het onthutsende feit van Emma’s chronisch geworden ontrouw, waarnaast Charles en de hele plattelandsgemeenschap met blindheid lijken geslagen.

Hiermee is niet gezegd dat de roman geen historisch karakter draagt. Flaubert legde een uitvoerige documentatie aan om zijn verhaal werkelijkheidsgetrouw te doen zijn. Hij las geneeskundige werken om de doodstrijd van Emma tot in detail te kunnen beschijven; hij bestudeerde de leer van de catechisatie ten behoeve van zijn portret van de pastoor, en hij beriep zich op specialisten om de financiële lasten van Emma te kunnen ontwarren. Zijn boek schreef hij in een periode van industriële en wetenschappelijke ontwikkeling, en Flaubert stelde zich ten doel ook de literatuur een wetenschappelijk karakter te geven. Hij wilde ‘het leven beoordelen, dat wil zeggen het beschrijven’, en ‘de menselijke ziel behandelen met de onpartijdigheid die in de natuurwetenschappen wordt beleden’. Kunst moest volgens hem voor vele interpretaties vatbaar zijn, en daardoor ‘doen dromen’.

Flaubert schetst in Madame Bovary een beeld van de Franse plattelandssamenleving rond de helft van de negentiende eeuw, en dan vooral van de toen in opkomst zijnde bourgeoisie: in de figuren van Emma, een bourgeoise, hoewel de eelt op haar handen een lagere afkomst verraadde (‘Zij lijdt en schreit in twintig Franse dorpen, op ditzelfde uur’, verklaarde Flaubert over haar); haar man Charles, een plattelandsdokter; Homais, de plaatselijke apotheker; Leon, klerk; en Rodolphe, landheer. Al deze personages richten zich op Rouen, waar de nieuwe zeden opgang doen. Daarachter doemt Parijs op, Emma’s ideaal, de stad waarnaar Léon verhuist om er zijn eigen romantisch getinte idealen te verzaken voor sociaal conformisme en lichtzinnige avontuurtjes. Zijdelings beschrijft Flaubert de groei van de onderlinge concurrentie (in de persoon van Lheureux, woekeraar), de spreiding van liberale denkbeelden (in de persoon van Homais) en het verval van de kerk (verpersoonlijkt door Bournisien, de laag-bij-de-grondse dorpspastoor). Met de beschrijving van hun gedrag, hun belangen, hun driften en hun conformismes schetst hij een genadeloos portret van deze heersende klasse; hun domheid en zelfs verachtelijkheid illustreren geen sociaal-politieke visie (de marxistische connotatie bij het begrip bourgeois), maar maken deel uit van een kritiek op het kleinburgerlijk materialisme, het denken in clichés, de middelmatigheid.

Daarnaast suggereert Flaubert de historische complexiteit van de samenleving waarin zijn verhaal zich afspeelt door het beschrijven van de hoge adel, op een bal waar Emma en Charles zijn uitgenodigd; en zelfs verschijnt, tijdens de prijsuitreiking op een landbouwcongres, het lage volk van dienders in het vizier, in de persoon van Catherine Leroux: ‘Zo stond, voor al die stralende burgers, deze halve eeuw van onderworpenheid.’ Deze laatste zin is overigens een van de zeer weinige in de roman waarin de stem van de auteur zelf lijkt door te klinken.

In laatste instantie is Madame Bovary tegelijkertijd een sociaal drama als een sprookje. Het verhaal is een voortzetting van de ervaringswereld van Flaubert zelf, maar alleen zijn verbeelding doet het verband ontstaan tussen de historische elementen die hij gebruikt.

En voorzover in de romanwereld een visie wordt verbeeld waarin de wil van mensen het aflegt tegen hun lot, is die visie, als uiting van cultuurpessimisme, ook zelf onderdeel van de geschiedenis. Om dat te verduidelijken is het onthullend om te zien hoe Flauberts roman door zijn tijdgenoten werd ontvangen. Toenmalige critici noemden het werk onder andere ‘wreed’, ‘immoreel’, ‘materialistisch’, ‘een realisme dat de ontkenning van het schone en het goede inhoudt’. De publieke en religieuze moraal was beledigd, en het kwam zelfs tot een openbare aanklacht tegen het boek. De openbare aanklager, Pinard, concentreerde zijn aanval op twee punten: de belediging van de publieke moraal bestond in het schetsen van ‘wellustige scènes’, en de belediging van de religieuze moraal in het tonen van ‘beelden waarin wellust verbonden wordt met heilige zaken’. Hij citeerde, om het eerste punt te illustreren, een passage als de volgende:

‘Nog nooit was mevrouw Bovary zo mooi geweest als in die dagen; zij bezat die niet te omschrijven schoonheid die een gevolg is van vreugde, geestdrift en succes, en die niets anders is dan de harmonie van temperament en omstandigheden. Haar begeertes, haar verdriet, de genoten wellust en haar nog immer jeugdige illusies hadden haar, zoals mest, regen, wind en zon met bloemen doen, geleidelijk doen ontluiken, en nu kwam zij eindelijk tot haar volle wasdom. Haar oogleden leken doelbewust gevormd te zijn voor lange, verliefde blikken, waarbij haar ogen wazig werden, terwijl een krachtige ademhaling haar neusgaten verwijdde.’

De advocaat van de verdediging, Sénard, beroept zich allereerst op de eerzame familie van de schrijver en het succes van het boek; daarna noemt hij Flaubert een observator, maar ook een moralist: ‘De verschrikkelijke vergelding van Emma’s fout, wekt zij niet op, drijft zij niet tot deugdzaamheid?’ Het was niet voldoende dat Emma de hand aan zichzelf sloeg als gevolg van een noodlottige aaneenschakeling van omstandigheden, die dood moest met de afkeuring van de maatschappij worden bezegeld.

Flaubert zelf schreef eerder in een brief aan zijn uitgever, die bepaalde passages had gecensureerd: ‘Het is het geheel dat moet worden betwist. Het schokkende element zit in de diepte, niet aan de oppervlakte. Negers kun je niet wit maken en het bloed van een boek niet veranderen.’ Het moet dan ook voor hem een fnuikende ervaring zijn geweest om zich in het vonnis van het hof – ondanks zijn vrijspraak – te horen vermanen dat er ‘grenzen van zuiverheid en zedelijkheid zijn die geen enkele literatuur mag overschrijden’, en bovendien om te beseffen dat het succes van zijn roman grotendeels het gevolg was van het schandaal rond het proces.

Uiteindelijk valt in de ontmoeting tussen Flaubert en Madame Bovary de verwevenheid te herkennen van Flauberts eigen wil en lot. De wil om als schrijver te worden erkend dreef hem tot het schrijven van dit ‘strafwerk’, waaraan hij in een ‘constante weerzin’ vijf jaar lang werkte; tegelijk maakt de geslaagde vermenging van eigen ervaringen en historische gegevens deze voorstelling van een plattelandssamenleving en van het zich daarin afspelende noodlot van een jonge vrouw alleen maar gezaghebbender en indrukwekkender.

De lezer en Flaubert

De ontmoeting van de lezer met Flaubert ontstaat in de confrontatie met diens stijl; stijl is volgens Flaubert het ‘bloed van het denken’. In Madame Bovary zijn vorm en inhoud onlosmakelijk verbonden in een eenheid van betekenis; het niveau van de gebeurtenissen en het niveau van de beschrijving verwijzen in een constante beweging naar elkaar.

In een grote hoeveelheid detaillistische beschrijvingen toont Flaubert kleine voorwerpen en grote natuur zoals de personages ze zien, voelen, aanraken; alles lijkt in een doorlopend proces van verandering te zijn, en voor meerdere interpretaties vatbaar. Zelden neemt Flaubert de plaats in van zijn personages; ze worden geïntroduceerd en geleidelijk getoond door de ogen van hun medemensen. Nabokov wijst er in zijn Lectures on Literature op hoe het verhaal ook binnen de hoofdstukken in een constante, vloeiende beweging is verwikkeld; parallel met veranderingen in het onderwerp lopen wijzigingen in vertelstandpunt, die hij ‘structurele transitie’ noemt.

In grote lijnen wisselen hoofdstukken waarin zich een ‘scène’ afspeelt, de hoogtepunten van het verhaal, af met hoofdstukken waarin een opeenvolging van gebeurtenissen plaatsvindt. Met beide ritmes komen ook twee verschillende werkwoordstijden overeen: bij het eerste ritme de passé simple, waarmee de eenmalige, afgeronde handeling wordt uitgedrukt (‘elle rêva’, toen droomde ze); bij het tweede ritme de imparfait, waarmee de herhaalde of vertraagde handeling wordt uitgedrukt (‘elle rêvait’, dan droomde ze).

Er is in de roman een voortdurend spel van ineenkrimpen en uiteenrekken van de tijd, van betekenisuitwisselingen tussen handelingen en gemoedstoestanden, tussen de materiële en de psychologische wereld. Er ontstaat een netwerk van verschuivingen tussen heden en verleden en van voortekens die de gebeurtenissen samenbinden. Terwijl Flaubert een open plek in het bos ‘beschrijft’, ‘vertelt’ hij ongemerkt het eerste overspel van Emma met Rodolphe – en tegelijkertijd klinkt in het dal een langgerekte kreet, die ze zich vlak voor haar dood zal herinneren.

Eén van de stijlvernieuwingen die Flaubert toepast is wat Nabokov de counterpoint method noemt: het gelijktijdige voortborduren op verschillende registers van gebeurtenissen, gesprekken en gedachten, binnen één scène. In de beroemde scène van de Comices, het Landbouwcongres, zet Flaubert Emma en Rodolphe bijeen: vanaf de eerste etage van het gemeentehuis wonen ze de ceremonie van de openbare prijsuitreiking bij. In een brief schreef Flaubert over deze scène: ‘Dit is wat ik wil doen. Terwijl ik het plattelandsfeest beschrijf (waar alle secundaire karakters van het boek verschijnen, spreken en handelen) zal ik tussen de details door en de toespraken vanaf het podium […] een doorlopende dialoog weergeven tussen een dame en een heer die haar het hof maakt. […] Als ik slaag zal het uitermate symfonisch zijn. Je zou tegelijkertijd het luiden van de klokken, het fluisteren van de liefde en de frasen van de politici moeten horen.’

[…] ‘Want nooit eerder heb ik in iemands nabijheid zo’n veelzijdige bekoring gevonden.’
‘De heer Bain uit Givry-Saint-Martin!’
‘Daarom zal ik de herinnering aan u altijd met mij meedragen.’
‘Voor een merinosram…’
‘Maar u, u zult mij vergeten, ik zal als een schim voorbij zijn gegleden.’
‘De heer Belot uit Notre-Dame…’.
‘Of niet? Zal ik toch iets in uw gedachten, in uw leven betekenen?’
‘Varkensrassen, prijzen ex aequo: de heren Léhérisse en Culembourg ieder zestig franc!’
Rodolphe knelde haar hand in de zijne en voelde hoe heet die was en dat zij trilde als een gevangen tortelduif, die weer wil opvliegen; maar of zij nu een poging deed om haar hand los te trekken of dat zij die druk beantwoordde, haar vingers bewogen en hij zei gejaagd:
‘O, dank u! U verstoot me niet!’ […]

In de stilistische weergave van Flauberts romanwereld ligt het eigenlijke lotskarakter van het boek. Binnen de beweging van het verhaal smelten schrijver, lezer en personages samen tot een soort subjectieve eenheid, waarin overeenstemming bestaat over het niet-zegbare, over dat wat wordt verzwegen; over het mysterie dat tussen de verschillende opeenvolgende stappen van het verhaal ligt; over datgene wat tussen de regels door kan worden gelezen.

De intensiteit van de ontmoeting tussen schrijver, personage en lezer wordt bepaald door de zeggingskracht van de roman, en die kracht ontleent de roman aan zijn stijl. Dan is niet meer alleen de noodlottige geschiedenis van een jonge vrouw levend in een verstikkend provinciaal milieu in het geding, maar de existentiële tekortkomingen van het menselijk leven. Dan verbeeldt die vrouw het ongeluk van de mens die denkt zich te kunnen bevrijden door zijn dromen voor werkelijkheid te nemen, de vergeefsheid van pogingen om aan de alledaagsheid te ontsnappen en het ontbreken van een overkoepelende zingeving die aan het lot van individuen voorafgaat; dan verbeeldt zij de fundamentele eenzaamheid van mensen en hun onvermogen om te leven.

Bij wijze van conclusie

In dit stuk heb ik de ontmoeting als een metafoor gebruikt voor de complexe relaties die bestaan tussen Flaubert, Madame Bovary en mijzelf als lezer. Die drie relaties duiden, grofweg, op drie niveaus van subjectiviteit: dat van de maker, dat van degenen over wie uitspraken worden gedaan en dat van de ontvanger. Daarin verschillen romans niet van politieke betogen of sociaal-wetenschappelijke verhandelingen, maar op één punt is er een verschil. Terwijl wetenschappelijke theorieën het gevaar lopen mensen te reduceren tot eigenschappen of rollen, en politieke betogen mensen een ongelimiteerde wil dreigen toe te schrijven, is in de literatuur meer ruimte om lot en wil niet als polair maar als complementair te zien, mensen te verbeelden die zowel deel zijn van de wereld als dat ze als subjecten in de wereld staan.

In Madame Bovary worden de ‘tien eigenschappen van de landsvrouw’ geïntegreerd; Emma draagt rollen èn ze fantaseert passief over de oningevulde ruimte. Alleen in de literatuur kan de samenhang tussen wilsuitingen en lotsbesef zo indringend worden weergegeven. De romanwereld van Flaubert is een niet te reduceren of te abstraheren geheel, waarin de compactheid van het verhaal samengaat met de compactheid van het leven zelf. Maar zover die conclusie juist is geldt zij in ieder geval ook voor dit werkstuk. Er is ten slotte maar een manier om de visie van Flaubert op lot en wil te leren kennen, en dat is door vrijwillig zijn verhaal te ondergaan. Wat is lot, wat is wil in een ontmoeting?

[scriptie voor het door Lolle Nauta & Gerard de Vries verzorgde doctoraalcollege sociale filosofie ‘Lot en wil’, Groningen, 1982-1983]

Print Friendly, PDF & Email