Tippetotje

Belgische schilderes, actief na de Tweede Wereldoorlog. Over het leven van Tippetotje is een schat aan documenten beschikbaar, onder meer brieven en transcripties van gesprekken met de dagbladschrijver Johan Janssens, en verslagen van excursies met Meneer Colson, ambtenaar.

Tippetotje was niet van zins nieuwe wegen te banen in de schilderkunst, en stond bepaald wantrouwig tegenover de avant-garde. Ze was de schilderes van de onbewaakte overweg, van de betonplaten naast de dekenfabriek, van de vuile huizen in de winter en van de zonovergoten voorstadskoer. ‘Ik ben geen surrealist, ik ben Tippetotje en ik moet een onderwerp nemen dat mij past: een root werkmanshuizen die realistisch zijn weergegeven, alhoewel ze daar als het ware in een droomsfeer staan, onder een lucht die donker en gesloten en een ietsje roodachtig is, maar verlicht door een klaarte die als het ware uit het schilderij zelf komt, die als het ware voortspruit uit die, overigens zeer realistisch geziene, root werkmanshuizen: en aan de straatdeur van het eerste werkmanshuis staat de godverdommelijke schone droom van een naakt meisje… zij is heel naakt maar draagt een rode pullover… zij is naakt tot aan het middel zodat ge de droom der benen en der dijen ziet, en de duivelsharen van haar geslacht, maar daarboven draagt zij een rode met de hand gebreide pullover…’, aldus Tippetotje in een brief.

Tippetotje verhuisde meermaals tussen Ter-Muren, een gehucht nabij een Oost-Vlaams industriestadje, en de miljoenenstad Brussel. Om in haar levensonderhoud te voorzien beschilderde ze gevels, deed ze de vormgeving van een links dagblad, penseelde ze portretten (‘smoelen van nieuwe rijken, van oorlogswoekeraars, van achtbare mevrouwen, van heren die heel wat gepresteerd hebben’), en decoreerde ze muren en plafonds met engelenkoppen. In haar laatste levensfase liet ze zich onderhouden door een steenrijke en licht krankzinnige baron. Hij richtte voor haar een atelier in (‘Ha, de kunst, mijn liefste… de kunst!’) en kwam haar geregeld bezoeken. Eindelijk was ze vrij om te schilderen wat ze wou: ratten, haar favoriete onderwerp: ‘Ik stel mij een kapot huis voor, een huis met afgerukte gevel. Ge ziet de holen der kamers waarin de vreemde en langgestorven wezens, de mensen, geleefd en geliefd en hun vreemde zorgen gekoesterd hebben – en in deze zwarte wonden, over deze verkankerde balken, holle zolderingen en verbrokkelde muren: daar spelen ratten. Zij zitten op de balken en kijken met hun verstandige kraalogen, met hun wrede snoet, en laten hun walgelijke staart over de balken heen hangen… en andere ratten hijsen zich langs die staarten, die lijven omhoog… zij wriemelen en wroeten en kijken rond, wreed en verstandig. Zie, dat zou ik, Tippetotje, willen schilderen in mijn atelier.’ Haar vrienden uit Ter-Muren verweten haar evenwel vaandelvlucht en snoeverij, en men herinnerde zich dat ze in haar jeugd bekendstond als ‘het schip met leugenen’. Tippetotje liet haar baron daarom aan zijn lot over en bij zijn dood erfde ze geen cent. Haar levenslang gekoesterde droom zou niet in vervulling gaan: ‘Het puntje van de wereld ontdekken waar de zon niet meer ondergaat, en waar de bergen van chocolade zijn, en waar geld iets is dat men niet kent, en waar men savonds leest in het boek… Het boek… waarin beschreven staat waarom alles is zoals het is.’

  • Louis Paul Boon, De Kapellekensbaan, 1953; Zomer te Ter-Muren, 1956]

[Lemma uit Koen Brams, Encyclopedie van fictieve kunstenaars (Nijgh & Van Ditmar, 2000), © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email