’t Is een beeldje!

Ze wordt vlees.

Ze kraait zichzelf krijsend rond, zoals verwacht, ze verkondigt zich.

Ze kijkt naar het vogeltje. Dag, Psyche met je autoped, dag, Helena op je hobbelpaard.

Ze ziet van de wereld de ongerepte uiterlijke schijn. Het grint op het pad, de schommel, de wip, het licht in de takken, de eerste sneeuw, de stam waar ze met losse handen overheen loopt.

Ze laat de poppen dansen op verjaarspartijtjes, reünies en begrafenissen. Ze zit nooit om een smoesje verlegen.

Ze steekt haar tong onder de loszittende kies, ze proeft het bloed, roestig als een goudreinet.

Ze houdt van schaatsen, rolschaatsen, hangen aan boerenkarren, aan brommers.

Ze houdt van door de straten slieren, langs bosranden wandelen, uit een coupéraam staren naar voorbijschuivende einders. Ze schrijft lange brieven aan Julio uit Valladolid, de jongeman met het charmante spleetje tussen zijn voortanden.

Ze heeft genoeg bejaarde bibliothecarissen met de ogen zien twinkelen om te weten hoe ze haar erotisch fluïdum moet mobiliseren in onderonsjes met de nog jeugdige hoogleraar.

Ze ziet regeringen vallen die daar maar liggen te spartelen, oorlogen worden verklaard die even onverklaarbaar zijn als altijd. Ze laat zich vastketenen aan het toegangshek van de ultracentrifugefabriek die het doelwit was van spionage door corrupte atoomgeleerden. Ze ontmoet een wegloopmeisje in het actiekamp.

Ze is koud, ze is lauw, ze is warm; ze brandt zich, ze wordt op heterdaad betrapt, ze is er gloeiend bij; ze viert haar lusten, ze boet haar driften, ze bezegelt met zuchten haar staat van genade.

Ze is benieuwd waar haar benen haar zullen brengen. Ze bereist engtes en vlaktes, kapen en klippen, heuvels en havens.

Ze volgt een klussencursus in het vrouwencentrum: electro, sanitair en fietsreparatie. Ze worstelt met muurvegetatie en woningdecoratie. Ze vindt een briefje op haar keukentafel: Mind over matter forever!

Ze blijft vlees zolang ze leeft.

Ze wil zich verheffen. Doet de lift het niet dan gaat ze te voet, hoger en hoger, tot waar zich het verhoopte, verwachte panorama ontvouwt.

Ze kent en huldigt de drie r’en, reading, writing & arithmetic, rust, reinheid en regelmaat.

Ze is een vrouw van middelbare leeftijd, van middelgroot postuur. Ze is iemand, ze is alle vrouwen. Ze kent dag noch datum, tijd noch uur.

Ze schudt de hand van een roeier die tijdens de Olympische Spelen in 1936 de hand van Hitler schudde.

Ze oefent lachspieren en traanklieren, ze treurt en juicht om wie ze liefheeft. Ze is bezield en bevangen, blij en droef te moede.

Ze leert WordPerfect vroeg in de jaren 80 op een door haar werkgever gefinancierde computerscholing, en blijft er tot laat in de jaren 90 mee werken. Haar bevalt vooral de mogelijkheid om overbodige opmaakcodes op te schonen met het Alt-F3-onderwaterscherm.

Ze houdt van verandering maar waardeert wat onveranderd blijft. Zoals haar goede vader zei: vroege vogels vangen de worm, gestage jagers het wild.

Ze denkt ruimer en smaller dan vroeger. Zoals haar lieve moeder zei: elk schepsel heb zijn behepsel, elke gek zijn gebrek.

Ze tekent voor het aloude scenario, je navel vergeten en je die dan weer herinneren. Het grint op het pad, de schommel, de wip. Het licht in de takken. De eerste sneeuw, de stam waar je met losse handen overheen liep.

Ze beseft hoe het een voortkomt uit het ander, hoe beelden beelden oproepen, hoe achter een woord een ander woord schuilgaat. Dat er nog een trein kan komen.

Ze hangt een vogelkooi naast de compostbak. Wie bekommert zich hier om het voedsel van de planten? Wat als er geen vogel omkijkt naar die kooi? Waar staat de spade verdomme? Wanneer komt alles eindelijk goed? Waarom werkt het kringsloopsysteem zo moeizaam? Hoe vaak heeft ze die compost nu al niet alleen moeten oogsten?

Ze kijkt vertederd naar de vleesvork met het rode houten handvat, naar de oude Pelikan die het nog steeds doet, naar het Zicht op de Schreierstoren dat van haar overgrootvader stamt. Ze ziet met lede ogen aan hoe overdreven veel Nutella haar jongste op zijn boterhammen smeert.

Ze keert zich af van de grote sensaties, de alom beloofde loeiharde, snoeihete verzaliging, verzadiging.

Ze verzamelt opnamen van Callas uit de jaren 50. Ze benijdt haar vriendin Dina, aanwezig bij het afscheidsconcert in het Concertgebouw op 11 december 1973, met Di Stefano.

Ze hangt een strategie van sierlijke achteruitgang aan, ze erkent het principe van de fouttolerantie. Ze gunt de levenden ten langen leste het licht in de ogen, zichzelf incluis.

Ze zegt: het hoeft niet altijd lang en slank, een beetje scheef, dat juffert wel.

Ze mag nog altijd graag de poppen laten dansen op verjaarspartijtjes, reünies en begrafenissen.

Ze gaat langzaam langzaam op in het waas der dagen.

Ze denkt bij zichzelf: hé, krom grootje, geen spijt hebben hoor!  Ze roept: en jullie, niet treuren om mij!

Ze beveelt haar geest in onze handen. Ze gaat de weg van alle vlees.

[jubileumtekst geschreven ter gelegenheid van de 80e verjaardag van Maaike van den Hoek, Dordrecht, 11 december 2010, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email