Draaglijke zwaarte: Kundera 85

OndraaglijkeZijn werk heeft vaak heftige reacties opgeroepen, zowel positief als negatief. Een ‘typisch Oost-Europese drammer’ noemde Michaël Zeeman hem ooit, en hij mocht die kwalificatie dan liefkozend bedoelen, feit is dat een schrijver die over de hoofden van zijn personages heen voortdurend allerlei scherpzinnige meningen en analyses opdist, niet bij iedereen op zo’n welwillende ontvangst hoeft te rekenen.

Milan Kundera is een controlefreak. Niet alleen voorziet hij zijn boeken van een strenge muzikale compositie waarin geen enkel detail betekenisloos is, hij lijkt de lezer die betekenis ook nog eens te willen inpeperen door het doen en laten van de personages onophoudelijk van uitleg en commentaar te voorzien – wat op zijn zachtst gezegd nogal paradoxaal is voor een oeuvre waarvan de voornaamste thema’s nu juist het onbegrip tussen mensen en de onbeheersbaarheid van elk menselijk handelen zijn. De paradox wordt nog eens onderstreept door Kundera’s onaflatende bemoeienis met de vertalingen van zijn werk: loslaten van zijn geesteskinderen is er niet echt bij, zo lijkt het.

En toch staat het merendeel van die geesteskinderen allang op eigen benen. Kundera’s verreweg bekendste boek, De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, bereikte onlangs de respectable leeftijd van 30 jaar. De geestelijk vader zelf, een van de laatste nog levende grote schrijvers uit het tijdperk van de Koude Oorlog, maakt zich intussen gereed om op 1 april zijn 85e verjaardag te vieren – en komt voor het eerst in vijftien jaar met een nieuwe roman, drie jaar na de verschijning van zijn vermeend definitieve Oeuvre in de befaamde Bibliothèque de la Pléiade. Redenen te over om hem weer eens uit de kast te halen. Wat is De ondraaglijke lichtheid inmiddels voor boek, dertig jaar na dato?

Uit vrije wil een roman herlezen, of zelfs voor de vierde of vijfde keer herlezen, is altijd een combinatie van twee tegenstrijdige verlangens: je wil terugvinden wat je eerder zo hebt gewaardeerd, maar hoopt tegelijkertijd opnieuw te worden verrast. Soms loopt het op een teleurstelling uit omdat de vonk van destijds niet meer wil overslaan, soms blijkt het boek over onvermoede reserves te beschikken en overrompelt het je opnieuw. Maar geen tweemaal lees je hetzelfde boek, en dat maakt juist het herlezen van een strak regisserende schrijver als Kundera tot een bijzonder spannende en zelfs riskante onderneming: als het boek de herlezer niet genoeg vrijheid geeft om zich te kunnen laten verrassen, valt het dood.

De ondraaglijke lichtheid van het bestaan verscheen voor het eerst in Franse vertaling (het Tsjechische origineel verscheen pas later) in 1984, het jaar van George Orwells toekomstroman. Toeval natuurlijk, maar daarom niet minder opmerkelijk: het boek dat de Russische inval in Tsjecho-Slowakije en daarmee de onbetwistbare terreur van het Sovet-communisme het helderst op ons netvlies heeft gebrand, valt precies samen met het jaar waarin Orwell zijn afschrikwekkende toekomstbeeld van de volmaakt totalitaire staat heeft geplaatst. Kundera’s eerste roman, De grap, was trouwens precies in het jaar (1968) van die Russische inval verschenen en had de schrijver in het Westen onmiddellijk de onaantastbare status van ‘dissident’ gegeven, dus dat maakt de cirkel mooi rond.

Daarom is dat misschien wel het eerste wat opvalt bij herlezing van De ondraaglijke lichtheid: dat het boek zo weinig over politiek gaat. Rusland mag zich dan ook in 2014 weer van zijn imperialistische kant hebben laten zien – in die zin is er weinig veranderd –, de hoogtijdagen van het communisme liggen inmiddels zo ver achter ons dat we de roman niet automatisch meer met een politieke bril beginnen te lezen. En terecht, want eigenlijk is de politieke situatie in Tsjecho-Slowakije voor Kundera niets anders dan een decor. Een decor dat weliswaar grote invloed heeft op het leven van de personages (die moeten emigreren of hun baan verliezen), maar dat er nooit in slaagt het héle leven te overheersen, hoe graag het ook zou willen.

Dat is dan ook meteen een groot verschil met het beeld dat George Orwell van de totalitaire staat schetst. Bij Orwell is er geen ontsnappen aan de macht van het systeem, het is de NSA in het kwadraat, en de even logische als cynische conclusie van zijn boek luidt dan ook: ‘You must love Big Brother’ – wie het totalitaire systeem niet kan overwinnen, kan zich er maar beter met hart en ziel aan overgeven. Maar Kundera oordeelt in zijn essays bijzonder streng over die pikzwarte voorstelling van het leven onder een totalitair regime: door dat leven volledig te reduceren tot zijn politieke component, bedrijft Orwell precies het soort propaganda dat hij wil bestrijden. En kunst inzetten om een wereldbeeld te propageren, is dat niet precies wat het socialistisch realisme doet?

Een van de personages in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan is de kunstenares Sabina. Haar grote vijand is niet het communisme, maar de ‘totalitaire kitsch’ die er onlosmakelijk mee verbonden is, hoewel hij ook elders kan voorkomen: de categorische, euforische instemming met de wereld zoals hij is (met gewelddadige uitsluiting van andere mogelijke werelden). Kundera besteedt een heel boekdeel aan een kritische analyse van het begrip kitsch, en het is dan ook niet vreemd dat Sabina binnen de roman het personage is voor wie de schrijver de meeste sympathie lijkt te voelen. Voor haar minnaar en tegenpool Franz geldt overigens vanzelf het omgekeerde: van alle personages lijkt hij de enige te zijn op wie de schrijver regelrecht neerkijkt, juist omdat hij de vleesgeworden kitsch is.

‘De personages van mijn roman zijn mijn eigen niet-gerealiseerde mogelijkheden,’ zegt Kundera in een veelgeciteerde passage, en hij vervolgt, in de vertaling van Jana Beranová: ‘Daarom heb ik hen allemaal even lief en schrikken ze me allemaal evenveel af: elk van hen heeft een grens overschreden waar ik zelf slechts omheen liep.’ Dat is in het licht van zijn ideeën over kitsch niet helemaal geloofwaardig: niet veel lezers zullen zich identificeren met de naïeve Franz, terwijl de authentieke Sabina kan rekenen op ieders bewondering. Overigens had het wereldwijde succes van het boek waarschijnlijk vooral te maken met het liefdesverhaal tussen de twee andere hoofdpersonen, de ‘lichte’ Tomas en de ‘zware’ Tereza, en met de vraag wie van de twee het hart van de lezer stal.

Kundera legt het in de roman allemaal keurig uit. Tomas, de rokkenjager met de talloze avontuurtjes, leeft in een wereld waarin niets gewicht heeft, want ‘einmal ist keinmal’: wat maar één keer gebeurt, had evengoed niet kunnen gebeuren. Tereza, daarentegen, kan lichaam en ziel, seks en liefde niet van elkaar scheiden en lijdt dus onder de avontuurtjes van haar man. Helemaal aan het eind van het verhaal lijken ze alsnog tot elkaar te komen, maar eigenlijk doet dat er niet zoveel toe: het hele boek is in feite een grote glazen bak waarin de personages als kreeften rondkruipen terwijl de schrijver aandachtig toekijkt. ‘Een roman is geen bekentenis van de auteur, maar een onderzoek naar het menselijk leven in de val die de wereld is geworden,’ schrijft hij, en we zullen het weten ook. Geen ontsnappen aan.

Of toch wel?

Het is niet moeilijk om tijdens het lezen van De ondraaglijke lichtheid de bakens te volgen die de schrijver voor ons heeft uitgezet. Het resultaat is een roman als een blok beton, waarvan de betekenis voor eeuwig vastligt. Een prachtig staaltje werk dat eigenlijk maar één groot nadeel heeft: het is loodzwaar en laat je geen enkele bewegingsvrijheid, je kunt er alleen maar bewonderend naar opzien en ervan houden zoals Orwell zei dat we van Big Brother moeten houden. Wat natuurlijk wel een beetje paradoxaal is voor een schrijver die nu juist niets van Orwell moet hebben omdat hij geen enkele ruimte openlaat in zijn roman, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Franz Kafka (die altijd ramen inbouwt).

Maar wie zegt dat we Kundera’s uitleggende vertellersstem altijd maar serieus moeten nemen? Er zijn verschillende momenten in de roman waarop ook de verteller moet bekennen dat hij het gedrag van een personage niet begrijpt, en er zijn ook plaatsen waar hij zijn mening bijstelt. De verteller is met andere woorden óók een personage, en wie hem altijd maar op zijn woord gelooft, laat zich mooi beetnemen. Wat trouwens niet wil zeggen dat we hem nooit moeten geloven. Het wil alleen maar zeggen dat we een dialoog met het boek kunnen aangaan, ons erdoor op nieuwe ideeën kunnen laten brengen en onze vragen erop af kunnen vuren – zoals dat gaat bij een goed boek.

Want dat is De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, ook en vooral bij herlezing: een boek dat blijft verbazen door zijn ideeënrijkdom, zijn groteske beelden en zijn uitweidingen, kortom alles wat niet het verhaaltje is (dat makkelijk te onthouden valt en dus geen herlezing nodig heeft). Juist de stelligheid waarmee Kundera bepaalde waarheden verkondigt (‘er zijn vier categorieën mensen’ etc.) zou ons alert moeten maken op de fundamentele ironie waarmee hij zijn roman heeft doorspekt.

Zijn nieuwe roman, een dunnetje dat al in het Italiaans is verschenen en waarvan het Franse origineel in april uitkomt, draagt de betekenisvolle titel La fête de l’insignifiance, oftewel Het feest der onbeduidendheid. Wat kan de 85-jarige drammer de wereld nog te melden hebben?

[de Volkskrant, 29 maart 2014, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email