Pierre Michon, De koning van het woud (fragment)

Ik heb geschilderd om een prins te zijn.

Ik moet een jaar of twaalf zijn geweest. Het was midzomer, het uur van de namiddag waarop het nog warm is maar waarop de schaduwen keren. Ik was varkens aan het hoeden in een eikenbosje aan de kant van Nemi, vlak onder een brede weg; ik had een stok geschild en die grote domme beesten met veel plezier afgetuigd als ze binnen mijn bereik kwamen. Toen ik daar genoeg van had gekregen, beperkte ik me tot het neermaaien van de varens, de hooghartige bloemen van het kreupelhout, die door mijn ranselen sterker geurden; die gesel hanteerde ik graag. In de verte hoorde ik een zwaar rijtuig aankomen, met een kalm gangetje. Ik verstopte me en hield me koest: de volle zon gutste neer op de weg en ik zat daar in de schaduw naar die zonovergoten weg te kijken, niet hoger dan de grond, onzichtbaar. Tien passen van mij en mijn varkens vandaan stopte in het zomerlicht een beschilderde, gemonogrammeerde, van azuurblauwe stroken voorziene koets; uit die geblazoeneerde rijtuigbak sprong lachend een weelderig opgetooid meisje te voorschijn, het leek wel of ze op mij af rende; ze toonde me haar witte tanden, het vuur van haar ogen; nog altijd lachend bleef ze staan op de grens van de schaduw, draaide me resoluut de rug toe, stond een eindeloos moment lang wijdbeens in die door bladeren gemarmerde zon, waarin haar haardos, haar immens azuurblauwe rokken, het wit van haar handen en het goud van haar polsen opvlamden, en toen die handen als in een droom naar haar rokken reikten en ze oplichtten, werden mij de ontzaglijke dijen en billen geschonken, alsof ze licht gaven, maar een dichter licht; abrupt hurkte dat alles en piste. Ik huiverde. De gouden straal viel donker neer in de zon, maakte een gat in het mos. Het meisje lachte niet meer, zo ingespannen was ze bezig haar rokken hoog vast te klemmen en dat bruuske licht uit haar te voelen vloeien; met haar hoofd een beetje gebogen keek ze roerloos naar het gat dat zoiets maakt in het gras. De azuren plunje bolde rond haar nek, knisperend, opgepoft, haar heupen waren welig en schaamteloos bloot. Het beschilderde portier klapperde nog een beetje, zo vrolijk had de pismeid het opengeduwd, en in de koets leunde een man achterover, gehuld in een losgeknoopt zijden wambuis, die naar haar keek. Hij had evenveel kant om zijn hals als zij om haar billen; hij glimlachte zoals je glimlacht wanneer niemand je ziet, met minachting en een dubbelzinnig plezier, bescheiden en verwaand tegelijk, meedogenloos teder. De koetsier keek een andere kant op, beschaafd en dierlijk. De stevige straal van het knappe meisje werd dunner; de prins zei iets aanminnigs tegen haar, waaraan hij een schunnig woord toevoegde dat alleen wordt gebruikt voor lichtekooien van het laagste allooi; hij glimlachte vrijer, tederder. De handen van de vrouw knepen zich krampachtig samen in het opgestroopte kantwerk, en ze uitte een misschien onderdanig, smekend of vreugdedronken gekir, dat mijn hart deed zwellen; ze had haar hoofd opgericht en keek ook hem aan. Ik stelde me die blik voor als bloed. Hoge witte bloemen bloesemden tegen mijn wang. Dat alles was vol van onverschillig geweld, zoals de hemel op het middaguur, zoals de kruin van de bossen.

[Pierre Michon, De koning van het woud (Fr. Le roi du bois), vertaling Rokus Hofstede, Voetnoot, Perlouses 2]

Print Friendly, PDF & Email