Vertaalcensuur (2)

Halverwege de jaren 90 viel mij de opdracht te beurt om een bundel essays en aforismen van de Roemeens-Franse auteur Emil Cioran te vertalen, Écartèlement (1979), een van zijn laatste titels. Het boek opent met vier thematisch verwante essays, feitelijk de tekstuele restanten van een mislukte poging om een samenhangende verhandeling over het ‘einde van de geschiedenis’ te schrijven. Cioran ontpopt zich in die essays als een klassieke onheilsprofeet; de eindfase van het historische proces hangt voor hem niet samen met het failliet van een welbepaalde ideologie, maar met de ophanden zijnde, wereldomspannende catastrofe; de apocalyptische visioenen uit de Openbaring van Johannes zijn in deze essays Ciorans belangrijkste intertekstuele referentie. In het laatste stuk, ‘Urgenties van het ergste’, schrijft hij bijvoorbeeld:

Wat hebben we nog te zoeken in het rumoer van een gebabyloniseerde planeet? Voordat die in stukken vliegt zullen degenen die er het meest hebben geleden […] eindelijk hun revanche krijgen; ze zullen de enigen zijn die de ontknoping toejuichen, de enigen die met volle teugen zullen genieten van de opschorting van het kabaal, van de kortstondige, beslissende stilte die aan grote rampen voorafgaat.

Het tweede en grootste deel van het boek bestaat uit aforismen en ultrakorte mini-essays, het genre waarin Cioran altijd heeft uitgeblonken. Ciorans striemende beknoptheid in vertaling behouden was voor mij als relatief onervaren vertaler een geweldige uitdaging. Veel van die aforismen zijn verwant met het thema van het ‘einde der tijden’:

Je bent mesjogge als je jammert over het verdwijnen van de mens, in plaats van uit te roepen: ‘Dat ruimt op!’

Je bent en blijft een slaaf zolang je aan de waan lijdt dat er hoop is.

Sommige frasen verwijzen expliciet naar de traumatische historische ervaringen die Cioran hebben gemaakt tot wie hij is (het overspannen nationalisme uit zijn vooroorlogse Roemeense jeugd, zijn gefnuikte extreem-rechtse engagement), en naar de afstand die hij tot die ervaringen heeft genomen:

Toen ik jong was droomde ik ervan alles ondersteboven te gooien. Nu ben ik op een leeftijd waarop je niet meer omverwerpt maar waarop je omver wordt geworpen.

Wie zichzelf respecteert heeft geen vaderland. Een vaderland, dat kleeft.

Wat niet wegneemt dat Cioran ook op hoge leeftijd nog weinig van zijn grimmigheid heeft verloren:

Zodra je de straat op gaat en er mensen in je blikveld komen, is uitroeiing het eerste woord dat bij je opkomt.

Zoals de meeste vertalers, vermoed ik, probeer ik bij lastige vertaalopdrachten de hand te leggen op het werk van collega-vertalers in het Engels of het Duits, om me er bij het zoeken naar oplossingen tegen te kunnen afzetten of juist door te laten inspireren. Maar in de Duitse vertaling van Écartèlement, getiteld Gevierteilt (1982), van de hand van Bernd Mattheus, zocht ik bovenstaand uitroeiingszinnetje tevergeefs. Het ontbrak, het stond er niet – men had het discreet verwijderd.

Was het woord Ausrottung meer dan dertig jaar na WO II in Duitsland nog zo ‘ungünstig’, nog zo beladen en besmet, lees: nog zo politiek incorrect, dat de vertaler dan wel de uitgever het niet had aangedurfd de betreffende zin te publiceren? En was een dergelijke censuur noodzakelijk ondanks het feit dat Cioran het begrip ‘uitroeiing’ gebruikt in een context van existentiële misantropie en allerminst van rabiate rassenwaan? Het valt niet te achterhalen, en aan vertaler Bernd Mattheus kan ik het niet meer vragen, hij is in 2009 overleden.

Het is onzeker of Cioran zich, als hij ervan op de hoogte was geweest, tegen de opvallende omissie zou hebben verzet, zoals Elsschot zich in 1936 verzette tegen de verminking van Tsjip. Hij had, op grond van een van zijn eigen aforismen, kunnen pleiten voor handhaving van het gewraakte zinnetje:

Elke concessie die je doet, gaat met een innerlijke verschrompeling gepaard waarvan je je niet onmiddellijk bewust bent.

Maar hij zou ook gevoelig kunnen zijn geweest voor de troebele associaties die een woord als uitroeiing bij een Duitstalig leespubliek had kunnen wekken. In zijn naoorlogse werk heeft Cioran zich nooit expliciet van zijn vooroorlogse pronazistische sympathieën gedistantieerd – het is bekend dat hij gedurende enige jaren een fellowtraveler van de fascistische, antisemitisch geïnspireerde Roemeense IJzeren Garde was. Ook is bekend dat hij in voorkomende gevallen discrete vormen van zelfcensuur achteraf niet schuwde (zie vooral hier).

Aan de ene kant leverde Cioran in zijn naoorlogse werk fundamentele kritiek op elke vorm van ideologisch fanatisme en analyseerde hij genadeloos de selectieve verblinding die daarvan het gevolg kan zijn. Aan de andere kant droeg hij ook in zijn nadagen een gedachtegoed uit dat wortelde in extreem-rechtse geschiedfilosofische noties uit de jaren 30. Achter Ciorans ‘einde van de geschiedenis’ kost het bijvoorbeeld weinig moeite om in Écartèlement de topos van ‘het decadente Westen’ te herkennen. Ondermijnd door toenemende immigratiegolven en door zijn eigen verdraagzaamheid zal het Westen ten onder gaan, nu het niet meer wordt geschraagd door het ‘robuuste, onaangetaste instinct’ dat het uitsluiten van vreemdelingen toestaat – met dien verstande dat Cioran zich in dat nakende einde verlustigt en allerminst terugverlangt naar een mythologische, predecadente bloeitijd:

Nadat ze de baas hebben gespeeld over twee hemisferen zijn de westerse machten hard op weg daarvan de risée te worden: fijngevoelige spoken, decadenten in de ware zin des woords, gedoemd tot de status van paria’s, van onmachtige en vadsige slaven, een status waaraan alleen de Russen, die laatste Blanken, misschien zullen ontsnappen. En wel omdat zij nog trots bezitten, de motor, nee, de oorzaak van de geschiedenis. Wanneer een natie die niet meer bezit, en zich niet langer als de bestaansgrond of het excuus van het universum beschouwt, sluit ze zichzelf van de toekomst uit.

Cioran – wat je noemt een paradoxaal, ongemakkelijk denker.

Print Friendly, PDF & Email