De paradox van de vertaler

De paradox van de vertaler: hij spreekt, maar zegt niets. Uit zijn pen vloeien woorden, maar hij heeft niets te melden. Niets, behalve één ding. Aan dat ene ding zijn de onderstaande vier stellingen gewijd, die beschouwd mogen worden als fragmenten van een hypothetisch of toekomstig boek, dat in tegenstelling tot deze kleine selectie uiteraard zal wemelen van de leerzame en amusante voorbeelden.

Vertalen is een uitvoerende kunst

Een waarheid als een koe, maar voor buitenstaanders toch nog (te) vaak een eye opener. Vooral de muziekmetafoor doet het in de mondaine conversatie altijd goed: ‘Literatuur vertalen is als het uitvoeren van een muziekstuk.’ Onmiddellijk zet je gesprekspartner zijn blik op diepzinnig, het gaat hier tenslotte om Kunst, en het pleit is bij wijze van spreken al half gewonnen. Het enige wat je nog te doen staat, is de wedstrijd secuur uitspelen door de overeenkomsten tussen een vertaler en een uitvoerend musicus expliciet te maken: beiden zetten een bestaand kunstwerk om in een nieuw kunstwerk, en in beide gevallen vraagt die omzetting niet alleen om een goede techniek maar vooral ook om een duidelijke visie op het uit te voeren werk. Visie, zegt u? Jazeker, want de keuzes die de uitvoerend kunstenaar voortdurend moet maken (omtrent tempo, zinsritme, frasering, stijlregister, dynamiek, toon, klankkleur enzovoort) kunnen alleen een overtuigende uitvoering opleveren wanneer hij weet (al dan niet intuïtief) waarom het zó moet en niet anders, met andere woorden: wanneer hij elk detail in dienst stelt van zijn begrip van de tekst of partituur als geheel – in dienst van zijn visie, kortom. In de muziekpraktijk wordt zo’n visie interpretatie genoemd en de uitvoerder ervan een vertolker, en zo is de cirkel rond: vertalen is als het uitvoeren van een muziekstuk, muziek uitvoeren is als vertalen.

Verschillen zijn er natuurlijk ook. Muziek uitvoeren is een kunst van het moment, de vertolker studeert een stuk in en moet zijn interpretatie tijdens het concert in één keer goed neerzetten, terwijl vertalen een langzame rijping veronderstelt, een voortdurend schaven en aanpassen. Bovendien is muziek bedoeld om te worden uitgevoerd en literatuur niet om te worden vertaald, en wat daarmee te maken heeft: in tegenstelling tot muziekvertolkingen behoren vertalingen tot dezelfde kunstvorm als het origineel – in feite zijn het concurrenten, zoals ook wel blijkt uit de angst van Nederlandstalige uitgevers voor de meestal goedkopere Engelse editie. En ten slotte bestaat ook in de beoordeling een groot verschil: de media benaderen muziekuitvoeringen ondubbelzinnig als kunst, terwijl dat bij vertalingen maar zelden gebeurt. Een van de redenen daarvoor is natuurlijk het gebrek aan vergelijkingsmateriaal, dat een gemakzuchtige leeshouding in de hand werkt, maar het is ook een kwestie van onwetendheid. Vorig jaar opgetekend uit de mond van een Nederlandse critica, als reactie op de toch niet al te gewaagde stelling dat in twee onafhankelijke vertalingen van eenzelfde werk nauwelijks één zin gelijk zal zijn: ‘Hoe kan dat nou, er staat toch gewoon wat er staat, het is toch maar taal?’ En vervolgens, na een geduldige uitlegpoging: ‘Maar die verschillen doen er voor het boek toch niet toe?’ In de ogen van zulke mensen, en daar lopen er aardig wat van rond, is vertalen in feite niet veel meer dan het juiste woord uit het woordenboek kiezen. Soms dekken meerdere woorden de lading (‘synoniemen’, noemt men die dan), en dat verklaart de variatie die tussen verschillende goede vertalingen kan bestaan. Maar synoniemen hebben dezelfde betekenis, dus de variatie is eigenlijk maar schijn, een oppervlakkig bijverschijnsel dat het wezen van het kunstwerk niet aantast. In de grond van de zaak is er maar één goede vertaling mogelijk. Er is toch ook maar één origineel? Er staat toch wat er staat?

Hoe naïef deze opvatting ook is, ze wordt bijna nooit publiekelijk aan de schandpaal genageld. Een belangrijke reden daarvoor is waarschijnlijk dat het debat over dit soort zaken als een saaie aangelegenheid van specialisten wordt beschouwd en daarom zoveel mogelijk wordt gemeden. In Nederland hebben we weliswaar het tijdschrift Filter, maar dat wordt alleen door vakgenoten gelezen, en die zijn het natuurlijk roerend met elkaar eens over het eminente belang van hun eigen kostwinning. Algemene podia waar vertalingen worden benaderd als uitvoerende kunst zijn er domweg niet. Juist de boekenbijlagen van de kranten, bij uitstek de plek waar de artistieke waarde van vertalingen beoordeeld zou kunnen worden, zijn bolwerken van consumptief leesgedrag, dat wil zeggen leesgedrag dat geen weerstand wenst te ontmoeten bij het doorstoten naar de vermeende kern. Dat die kern bij goede literatuur onlosmakelijk verbonden is met de buitenkant, de stijl, en dat die stijl niet het product van de schrijver maar van de vertaler is, dringt tot weinig recensenten door, en de enkeling die zich er wel van bewust is maakt zich er met een laffe smoes van af: ‘Met zulke subtiliteiten moeten we onze lezers niet lastigvallen, en uiteindelijk gaat het toch om het boek.’ Ja, en de rubriek muziekrecensies dan? Moet die de lezers ook maar liever niet lastigvallen met het subtiele verschil tussen een Beethovensonate uitgevoerd door Maurizio Pollini of door Sviatoslav Richter? Maar muziekrecensenten zijn wat dat betreft heel wat minder naïef dan hun literaire collega’s: zij weten dat je een werk niet van zijn vertolking kunt scheiden.

Vertalen is iets anders dan bewerken

Deze tweede stelling is minder vanzelfsprekend dan ze misschien lijkt, zoals duidelijk wordt wanneer we eerst de overeenkomsten eens op een rijtje zetten. Om te beginnen is elke vertaling natuurlijk per definitie een aanpassing, een bewerking, domweg omdat er andere woorden staan dan in het origineel, en omdat al die woorden stuk voor stuk gekozen moeten worden uit de verschillende mogelijkheden die de vertaler ziet. Kiezen betekent bewerken, want alleen al uit het feit dat er meerdere mogelijkheden bestaan, volgt automatisch dat er van een één-op-éénverhouding tussen origineel en vertaling geen sprake kan zijn: er is altijd een afwijking, hoe klein ook. Maar dat is nog maar het begin. Behalve idiomatische en grammaticale conventies kent een taal namelijk ook stilistische conventies, die de keuzevrijheid (of keuzedwang, het is maar hoe je het bekijkt) van de vertaler nog veel groter maken. De vraag is immers hoe er voor die stilistische conventies een equivalent in de eigen taal kan worden gevonden, en op die vraag bestaat geen algemeengeldig antwoord, bij gebrek aan een absoluut ijkpunt, een goddelijke omrekeningstabel waaraan kan worden afgelezen welke keuze de beste is. Ook hier geldt, en in nog sterkere mate: kiezen betekent bewerken (en niet kiezen behoort niet tot de mogelijkheden). En zo zijn er nog allerlei andere factoren die de vertaler tot ‘bewerken’ dwingen: klank en zinsritme, geïmpliceerde wereldkennis, al dan niet expliciete verwijzingen naar andere teksten en ga zo maar door.

Er zijn vertalers die deze principiële vrijheid van de vertaler aangrijpen om te benadrukken hoe creatief hun werk wel niet is. Dat valt goed te begrijpen. De status van het vertalen binnen de literaire hiërarchie is laag, er heerst veel onbegrip over (zie hier boven), en het is dus logisch dat vertalers het verschil tussen hun vertaling en het origineel willen benadrukken, want dat verschil bewijst dat hun rol niet een louter passieve is, het bewijst kortom dat ze bestaan, als mens en als kunstenaar. Maar de vraag is natuurlijk hoe, en met welk doel, dat verschil tot stand komt. Bij een bewerking (nu in de beperkte zin des woords) kan de kunstenaar zonder gêne alles doen wat hem goeddunkt: de plaats van handeling overzetten van Ierland naar België, hedendaagse motieven verweven in een oud koningsdrama, een ongelukkig einde vervangen door een gelukkig einde of vice versa, enzovoort. Bewerken is een vorm van scheppende kunst, want voor het eindresultaat is alleen de bewerker verantwoordelijk: het oorspronkelijke kunstwerk levert het ruwe materiaal (of een deel daarvan), maar veel meer ook niet. Bij een goede vertaling, daarentegen, staat het verschil met de oorspronkelijke tekst paradoxaal genoeg nog altijd in dienst van die tekst – sterker nog, het lijkt er rechtstreeks uit voort te komen. Escher zou er een mooie tekening van kunnen maken: de vertaler treedt zodanig buiten de tekst dat hij ermiddenin komt te staan.

Natuurlijk zijn er allerlei mengvormen tussen bewerken en vertalen mogelijk, en taalfilosofisch beschouwd zal het onderscheid uiteindelijk wel onhoudbaar zijn. Maar daar gaat het niet om. Uitvoerende kunst is een kwestie van overtuigingskracht, niet van wetenschappelijke waarheid. Een goede vertaling is subliem in de betekenis die Longinus in de derde eeuw n.Chr. aan die term gaf: ‘Dán is de kunst volmaakt, wanneer zij natuur schijnt te zijn’ (Over het verhevene, vert. W.E.J. Kuiper, Amsterdam 1980, p. 57). Met andere woorden: vertalen is een kunstvorm die de schijn van transparantie moet wekken, zodat de lezer een ongehinderd uitzicht op het oorspronkelijke kunstwerk meent te hebben. Hoe transparanter, hoe beter. Dat is natuurlijk een zuiver retorisch effect, want om die schijn van transparantie te bereiken moet de vertaling juist een hoge mate van kunstigheid bezitten. Maar dat het werkt, blijkt wel uit al die recensies waarin de vertaler niet eens wordt genoemd maar waarin wel de stijl van de auteur wordt getypeerd of zelfs geprezen, vaak met een illustratief geacht citaat erbij – afkomstig uit de vertaling. Wanneer het om vertalingen uit bekende talen gaat zal de recensent ter verdediging aanvoeren dat hij heus wel heeft gecontroleerd ‘of het klopte’, maar dat doet er niets aan af: het feit dat hij het gevoel heeft dat het klopt, is nu juist het gevolg van de ogenschijnlijke transparantie; de inspanning, het slijpen en vijlen om het gewenste effect te bereiken, is aan het uiteindelijke resultaat niet af te lezen. Natúúrlijk klopt het. Maar had het ook anders gekund? (Antwoord: ja.) En waarom staat het er zoals het er staat? (Antwoord: omdat de vertaler daarvoor heeft gekozen op grond van zijn visie op de tekst.)

Hoe beter de vertaler, hoe meer hij zich kan permitteren. Niet omdat hij door zijn inmiddels gevestigde reputatie de handen bijna al bij voorbaat op elkaar krijgt (zoals bij voormalige Nijhoffprijswinnaars vaak gebeurt, want daaraan kan men zich geen buil vallen: ‘schitterend vertaald…’, ‘verdient een standbeeld…’), maar omdat hij zo diep doordrongen is van het beoogde effect, dat hij de ruimte die dat effect hem geeft maximaal kan benutten. Je kunt het ook andersom zeggen: hoe meer een vertaler zich kan permitteren binnen de grenzen die zijn visie op de tekst hem oplegt, hoe beter hij is – en hoe transparanter het resultaat. Daarom is het onzin om vertalingen die geen bewerkingen willen zijn ‘slaafs’ te noemen, zoals sommigen menen te moeten doen ter meerdere eer en glorie van hun eigen creativiteit. Een goede vertaler creëert zijn eigen speelruimte.

Vertalen is zoeken naar regelmatigheden

Een tekst bevat op verschillende niveaus allerlei regelmatigheden, terugkerende elementen. In vormvaste poëzie is dat natuurlijk het duidelijkst: het rijm, het metrum en de versvorm zijn als een mal over de taal heen gelegd, op een dermate opvallende manier dat geen enkele lezer eroverheen kan kijken. Binnen het gedicht treden vaak nog andere opvallende regelmatigheden op: klankherhalingen, parallelle zinsconstructies, terugkerende motieven enzovoort, allemaal elementen die de tekst een extra hechte samenhang geven in vergelijking met gewoon proza. Toch is in dat ‘gewone’ proza op een minder opvallende manier hetzelfde het geval. Ook een prozaschrijver kan gebruik maken van klankherhalingen en andere structurerende regelmatigheden, sterker nog: zelfs de meest onbehouwen prozaïst doet dat automatisch, niet als bewust verkozen stijlmiddel maar domweg omdat het onmogelijk is om géén stijl te hebben – en wat is stijl anders dan een aantal zich herhalende elementen dat de woordenstroom een herkenbaar, ‘uniek’ aanzien geeft?

Ik schrijf het woord ‘uniek’ met opzet tussen aanhalingstekens, want niet alleen kan de stijl van een schrijver veranderlijk zijn of op die van een andere schrijver lijken, hij kan ook altijd nagebootst of gepasticheerd worden, en zo heel uniek is hij dus ook weer niet, of in ieder geval niet onvervreemdbaar. Als hij dat wel was, zou vertalen trouwens onmogelijk zijn, want dat gaat nu juist uit van de herhaalbaarheid van een stijl. Maar vertalen ís ook onmogelijk, horen we de sceptici al roepen, en triomfantelijk lanceren ze hun leus: traduttori traditori! En strikt genomen hebben ze natuurlijk gelijk: vertalen is een vorm van bedrog – net als toneelspelen, muziek uitvoeren, lezen, schrijven, praten, denken, kortom alles wat het ene ding in het andere omzet: altijd gaat er iets verloren. Dat is al een hele troost voor de verrader die vertaler heet: ook de schrijver verraadt zichzelf, zijn ideeën, de dingen die hij beschrijft, zijn personages, en niet in de laatste plaats zijn eigen stijl, aangenomen dat hij die modelleert naar een bewust of onbewust, plaatselijk of algemeen ideaalbeeld. De schrijver bootst zijn eigen stijlideaal na, de vertaler doet dat nog eens dunnetjes over. Beiden zetten dezelfde abstracte waarden om in concrete woorden, en in plaats van te zeggen dat vertalers eigenlijk (net als recensenten en literatuurwetenschappers) mislukte schrijvers zijn, zoals het cliché luidt, kun je dus met evenveel of even weinig recht zeggen dat schrijvers eigenlijk vertalers zijn die dat van zichzelf niet willen weten, uitzonderingen als Frans Kellendonk daargelaten. Hoe dan ook, in principe is vertalen net zo onmogelijk of mogelijk als schrijven.

Dat betekent overigens niet dat alle teksten even goed te vertalen zijn. De schrijver en de vertaler mogen dan veel gemeen hebben, de middelen die hun ter beschikking staan zijn volkomen verschillend. In zekere zin heeft de schrijver het veel makkelijker dan de vertaler, want hij maakt niet alleen de tekst, maar ook de regels waaraan die moet voldoen. Hij mag die regels veranderen zo vaak hij maar wil, terwijl de vertaler zich maar te houden heeft aan de regels die de schrijver heeft gekozen. Gebruikt de schrijver veel retorisch geweld, dan zal de vertaler dat ook moeten doen. Formuleert hij daarentegen kort en bondig, dan dient de vertaler bloemrijke, geornamenteerde taal koste wat kost te vermijden. Dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Immers, een vertaler heeft ook zijn eigen stilistische voorkeuren, en die kunnen hem behoorlijk in de weg zitten. Er zijn bijvoorbeeld vertalers die pertinent weigeren ‘ook maar één lelijke zin op papier te zetten’. Op het eerste gezicht is dat misschien een lovenswaardig streven, en zo wordt het door de recensenten doorgaans ook beoordeeld (de befaamde ‘soepel lopende vertaling’), maar er zitten nogal wat haken en ogen aan: wat is dat precies, een lelijke zin? Mag een vertaler er klakkeloos van uitgaan dat zijn eigen schoonheidsnormen algemene geldigheid bezitten? En moet hij zich niet eerst afvragen of het schrijven van ‘lelijke’ zinnen misschien onder de spelregels van de tekst valt? Het komt natuurlijk ook vaak genoeg voor dat een auteur de regels die hij heeft gekozen niet of niet volledig nakomt (bijvoorbeeld wanneer hij halfrijm gebruikt op een plaats waar je volrijm zou verwachten), en in dat geval hoeft de vertaler zich niet te schamen voor een ‘verbetering’. Maar een goede vertaler mag geen stilistische dogma’s hebben, en als hij die wel heeft, moet hij zich beperken tot teksten waarvan de stijl niet met die dogma’s in strijd is.

Elke stijl bestaat uit een aantal regelmatigheden, regels waaraan de schrijver zich heeft gehouden bij het schrijven van zijn tekst. Het zo goed mogelijk navolgen van die impliciete regels is de belangrijkste opgave waarvoor de vertaler zich gesteld ziet. Al die regels beperken het aantal mogelijkheden waaruit kan worden gekozen, en vaak heeft de vertaler zelfs het gevoel dat twee regels elkaar uitsluiten in zijn taal. Het niet kunnen vinden van een goed rijmwoord is daarvan het bekendste voorbeeld, maar ook in proza komt zo’n situatie regelmatig voor, bijvoorbeeld wanneer een woordspeling bepalend is voor het vervolg van de tekst, of wanneer er een bepaald ritme vereist is dat onverenigbaar lijkt met de woorden die de betekenis van de zin in kwestie zouden kunnen dekken. Dan moet een vertaler met vondsten op de proppen komen. Maar zoals Hugo Verdaasdonk onlangs zeer terecht opmerkte in Filter (7:1, p. 30), moet het belang van vondsten (en het tegendeel ervan: fouten) voor de kwaliteit van een vertaling niet worden overschat. De werkelijke vertaalarbeid zit in het tempo, de toonzetting, de stijlregisters, het zinsritme, kortom in al die onopvallende regelmatigheden die samen de ziel van de tekst uitmaken. Wie die aspecten beheerst, mag zichzelf een goede vertaler noemen.

Vertalen is streven naar volledige letterlijkheid

In veel discussies over vertalen duiken de termen ‘letterlijk’ en ‘vrij’ op, vrijwel altijd met het impliciete of expliciete oordeel dat het tweede beter is dan het eerste. Die waardering zit natuurlijk al in het woord besloten, want wie wil er nou niet vrij zijn? Maar naar mijn gevoel is dit traditionele begrippenpaar een weinig effectief instrument om te beschrijven wat er aan de hand is bij de keuzes die een vertaler moet maken. Misschien kan ik dat het beste illustreren aan de hand van een voorbeeld dat Barber van de Pol noemt in haar recente essaybundel Cervantes & co (die overigens voor zowel vertalers als recensenten verplichte lectuur zou moeten zijn, omdat het een van de zeer zeldzame pogingen is om een niet-gespecialiseerd publiek iets te vertellen over de kunst van het vertalen). Het gaat om het zinnetje ‘estoy a punto de morir’, dat Van de Pol citeert als eenvoudig voorbeeld van het belachelijke van letterlijke vertalingen. Immers, woord voor woord vertalend krijg je ‘ik sta op het punt om te sterven’, en dat is in het Nederlands inderdaad volkomen absurd. Maar is het werkelijk een geval van te letterlijk vertalen? Je kunt met evenveel recht beweren dat het niet letterlijk genoeg is, want de gekozen Nederlandse vertaling dekt de lading van de Spaanse zin niet goed. In feite zijn de twee uitdrukkingen in deze context een soort faux amis, vormen die op elkaar lijken maar niet hetzelfde betekenen, net als bijvoorbeeld het Franse ‘inouï’ en het Nederlandse ‘ongehoord’. De letterlijke betekenis van ‘un luxe inouï’ is ‘ongekende weelde’, en wie het vertaalt met ‘ongehoorde luxe’ kan dus wel worden beticht van gemakzucht of een tekortschietend taalgevoel, maar niet van te veel letterlijkheid.

Ik chargeer natuurlijk een beetje. Zelf gebruik ik de term ‘letterlijke vertaling’ ook vaak genoeg op een niet-kritische manier, maar dat maakt hem er niet minder problematisch op. ‘Letterlijk staat er dit’, zeggen we vaak bij lastig te vertalen passages, als het ware om een laddertje neer te zetten dat we na gebruik hopen te kunnen wegschoppen. Maar wat bedoelen we daar precies mee? Eigenlijk niets anders dan dat het desbetreffende ‘dit’ er juist níet staat, of althans niet helemaal. Immers, als ‘dit’ er wél stond, zouden we niet meer hoeven te zoeken naar een betere vertaling. En daar gaat het bij het vertalen natuurlijk om: het eindeloos zoeken naar de oplossing die de tekst het meeste recht doet. Het getuigt op zijn minst van weinig respect voor die tekst om de uiteindelijk verkozen oplossing ‘vrij’ te noemen en de onnauwkeurige wegwerpladdertjes ‘letterlijk’, want in feite streeft elke vertaler op zijn eigen manier naar volledige letterlijkheid, dat wil zeggen naar een vertaling die alle aspecten (alle regelmatigheden, in termen van mijn vorige stelling) van de tekst tot zijn recht laat komen. Hoe groter het aantal eisen waaraan je moet voldoen, hoe minder ‘vrijheid’ je hebt. Om de inzet van het vertalen als uitvoerende kunst niet uit het oog te verliezen, stel ik dan ook voor de termen ‘letterlijk’ en ‘vrij’ vanaf nu om te draaien, of ze maar gewoon niet meer te gebruiken.

Dit is niet zomaar een spitsvondig betoogje, want de tegenstelling tussen letterlijk en vrij vertalen is zoals gezegd niet alleen een instrument waarmee men vertalingen denkt te kunnen beschrijven, ze impliceert doorgaans ook een waardeoordeel, en heeft daardoor ook een grote invloed op de concrete keuzes die vertalers maken. Bij veel vertalers zit de angst voor ‘letterlijkheid’ zo diep, dat ze bij voorbaat de strijd met de tekst al opgeven en hun heil zoeken in een veilige vrije parafrase. Maar hoe aanbevelenswaardig veilig vrijen in het werkelijke leven ook is, in de literatuur leidt het per definitie tot een grauwe, smakeloze brij, de eenheidsworst van de ‘soepele stijl’. Vertalen dient een gevecht op het scherp van de snede te zijn; een vertaler die niet probeert de vorm- en stijlkenmerken van de oorspronkelijke tekst recht te doen, neemt zijn eigen kunst niet serieus.

De grote vraag waar alles om draait is natuurlijk hóé je die vorm- en stijlkenmerken recht kunt doen in een andere taal, een andere context en een andere literaire traditie. Een algemeengeldig antwoord is daarop nauwelijks te geven, maar veel vertalers zullen bewust of onbewust een soort evenredigheidsformule toepassen: hun vertaling moet zich verhouden tot de stilistische traditie van hun eigen taal zoals het origineel zich verhoudt tot de stilistische traditie van de taal waarin het is geschreven. Op grond van de stilistische traditie kan de ene taal bijvoorbeeld meer woordherhalingen hebben dan de andere, en ook het leestekengebruik kan radicaal verschillen: in het Frans worden veel meer puntkomma’s gebruikt dan in het Nederlands (wij zouden daar in meer dan de helft van de gevallen een komma of een punt van maken), terwijl de Franse dubbele punt juist vaak de waarde van een Nederlandse puntkomma heeft. Toch is die evenredigheidsformule nog maar het begin, een soort grove vuistregel waar een vertaler voortdurend uitzonderingen op moet maken, omdat stilistische kenmerken niet alleen maar relatief zijn, een louter statistisch gegeven, maar vaak wel degelijk ook een ‘absoluut’ effect hebben waarmee de vertaler rekening moet houden. Zo kan het veranderen van puntkomma’s in punten grote gevolgen hebben, niet alleen voor het ritme van de tekst maar ook voor de status van de zin als betekeniseenheid. Bij auteurs als Proust, voor wie elke zin een afgerond geheel is, een ‘wereld op zichzelf’, kun je als vertaler niet zomaar zinnen in stukken gaan knippen. Niet zomaar: verboden is het niet, maar het mag niet klakkeloos gebeuren vanuit het dogma dat ‘het Nederlands zulke lange zinnen niet toelaat’. Het tegenovergestelde geldt natuurlijk evenzeer: ook het dogma van ‘er staat geen punt dus er mag in de vertaling ook geen punt komen’ is uit den boze. De vertaler moet te allen tijde naar het concrete effect kijken en voortdurend opletten dat hij het kind niet met het badwater weggooit. Elk effect moet vanuit de tekst zelf worden beredeneerd, of liever gezegd: vanuit de visie die de vertaler op die tekst heeft. Hij spreekt, maar zegt niets. Niets, behalve één ding: ‘Zo zie ik het.’

Leiden, november 2000

[Bijdrage aan de congresbundel Vertaling en verbeelding: de creativiteit van de literaire vertaler. Gent, Mercator Hogeschool, 2001, © Martin de Haan. Het congres zelf vond plaats in 2000.]

Naschrift juli 2010

Over een aantal punten uit dit betoog ben ik de afgelopen tien jaar anders gaan denken, zoals blijkt uit de vele teksten die ik in die periode over het thema vertalen heb geschreven. Maar van het basisidee van vertalen als uitvoerende kunst ben ik nooit afgeweken.

Print Friendly, PDF & Email